Maatje

Wie ben ik als niemand kijkt? En met wie ben ik als ik alleen ben? Met mezelf als maatje of met mezelf als uitdager? Is het soms goed genoeg, of veel vaker niet?

In november was ik nog eens op vrouwenweekend in Orval. Een weekend vol vervulling, vrouwenkracht en thuiskomen bij jezelf en bij mekaar. Er lagen inspiratiekaarten, ik trok de kaart “praten met jezelf”. Herkenbaar, want de kaart vertelde me dat ik in plaats van zo kritisch voor mezelf te zijn, beter bewust zou proberen om tegen mezelf te spreken als tegen een vriend(in). Dat was duidelijk. In het warme nest met de andere vrouwen leek het me al bij al niet zo’n moeilijke opdracht. Ik was wel een kampioen in meedogenloos zijn voor mezelf, maar ik zou dat varkentje wel wassen. Zo moeilijk kon het toch niet zijn….

Maar zo moeilijk blijkt het wel te zijn. Nu ik professioneel op eigen benen sta, en dus geen baas meer heb, blijk ik in de arena tegenover mezelf te staan. Na de eerste euforische wittebroodsweken als zelfstandige, waarin ik als door een verliefde bril rond me heen keek, bekroop me een benauwend gevoel. Ik bemerkte dat ik nog steeds in alerte staat van paraatheid stond, klaar om te vechten als het moest, maar dat de vijand die uit de coulissen kwam nu een bekend gezicht had: ik stond oog in oog met mezelf.

Geen baas meer betekent geen andere meer waarop je je frustratie kan projecteren en die je de schuld kan geven van het gevoel van stress waar je mee rondloopt. Nu ik baas-loos door het leven ga, besef ik dat de bron van frustratie en stress in mezelf ligt.

Zo lag ik onlangs in bed, wakker, opgedraaid door wriemelende vuisten in mijn binnenste. Een warm bad had niet mogen helpen. Ik was moe, maar bleef maar net onder de oppervlakte, er was geen spoor van wegzinken in een diepe rust. Enkel alertheid en een licht voltage in mijn systeem. Dat gaf me tijd om alles te overschouwen en me af te vragen wat stress eigenlijk is en waar het vandaan komt. Ik kwam op de volgende soorten:

Deadlinestress of afleverstress: je hebt iets beloofd tegen een bepaald moment, en dat moment komt gevaarlijk dichtbij, terwijl dat wat je beloofd had, nog niet in een afgewerkte vorm afgeleverd kan worden. Hier zijn gradaties van nog niets gedaan tot bijna af, maar je perfectionistische zelf kan het nog niet vrijgeven.

Competentiestress: je denkt iets niet te zullen kunnen, de taak of opdracht die je kreeg lijkt wel echt ingewikkeld. Wat als ik het niet kan?

Ontmaskerstress: onze goede vriend het “imposter syndroom”, gelinkt met het vorige punt. Er loopt met jou een ontmasker-maatje mee: je denkt bijna voortdurend, meestal onbewust, dat er een moment zal komen waarop je ontmaskerd zal worden als “fraudeur”. Eigenlijk ben of kan je helemaal niet wat je zegt te zijn of te kunnen. Het komt naar het schijnt vooral voor bij vrouwen, maar ik heb ook al mannelijke lotgenoten ontmoet.

Ontgoochelstress: een subtiele, maar misschien wel de meest destructieve vorm van stress. Je bent bang je klant, collega, baas, of wie dan ook, te ontgoochelen. “Is het dit maar, dat je hebt kunnen doen?” “Ik dacht dat je tot meer in staat was.” “Ik dacht dat je beter was.” Deze vorm komt vooral voor bij mensen die zich altijd hebben proberen aan te passen aan de verwachtingen van (belangrijke) anderen in hun leven. Iemand teleurstellen is uitermate beangstigend en je zal er alles aan doen om dat te vermijden. Je werkt je desnoods uit de naad, maar alles moet wijken om ontgoocheling te vermijden. Alles, dus ook je eigen behoeften.

Verantwoordelijkheidstress: vanaf het moment dat je een taak toebedeeld hebt gekregen of zelf aangenomen, staat er een meester-verantwoordelijke in je op. Alles, maar dan ook alles, van de taak ligt in jouw handen en is jouw verantwoordelijkheid. Een eigenschap die voordelen heeft, maar die toch vooral heel erg weegt. Zeker als je je ook verantwoordelijk voelt voor zaken die buiten je macht of controle liggen.

Ik kwam tot de conclusie dat mijn lijf die avond volledig ingenomen was door de drie laatste stresssoorten: ik voelde me verantwoordelijk voor zaken waar ik niets aan kon doen, ik was bang de klant ontgoocheld te hebben en die imposter, tja, die loopt al heel mijn leven mee.

De voedingsbodem onder al deze bronnen van stress is het gevoel niet goed genoeg te zijn. Wat als je het gevoel zou hebben dat het helemaal ok was zoals je bent? Probeer die gedachte eens binnen te laten: Ik ben helemaal ok. Er hoeft niets veranderd of verbeterd te worden aan wie ik ben. Als ik dat écht probeer binnen te laten, dan voel ik een soort rust binnenkomen. Dan valt er simpelweg veel spanning weg. Niet op tijd klaar voor een opdracht? Is de taak te moeilijk? Is iemand teleurgesteld, had hij of zij meer verwacht? Is het dit maar dat je hebt kunnen doen?…. Het antwoord op die bedenkingen zou dan gewoon “Ja” zijn. En na die ja zou dan een gesprek volgen. Dat er volgende keer wat meer tijd voorzien zou moeten worden, of dat jij misschien niet de geschikte persoon was voor dat werk, dat het jammer is dat je niet aan de verwachtingen hebt kunnen voldoen en dat je naar best vermogen gedaan hebt wat je kon. Zo simpel zou het kunnen zijn. Niet?

En dus ben ik op zoek naar een maatje. Naar het maatje in mezelf. Want andere maatjes mogen zeggen wat ze willen, ik geloof ze niet als de uitdager in mezelf de wacht houdt. Positieve woorden, complimenten of bevestiging, alles gaat door de harde molen van de wachter, en komt er vergruizeld uit. Ik zie de brokken en word oneindig triest. Triest van het ogenschijnlijk nooit eindigende verhaal van zelfafbraak, van het altijd weer terugkerende patroon van nooit goed genoeg en pas kunnen rusten als het perfect is, waardoor je altijd in een onvoltooid heden leeft. Nee, nu nog niet, mijn schild kan ik nog niet afleggen.

En zo eindig ik mijn verhaal waar ik begonnen ben, en waar ik zo vaak eindig: zoekend. Zoekend naar inzicht, naar verbanden en naar logica, maar vooral zoekend naar rust en aanvaarding. Naar het maatje in mezelf. Naar de liefde in en voor mezelf.

De mooiste bonus van dit alles is dat – als elk van ons zichzelf goed genoeg zou vinden – het resultaat ons allen zou overstijgen. Want als je stopt met vechten in jou, stop je ook met vechten buiten jou. Dus vertel mij, met wie ben jij als je alleen bent? Met je uitdager? Of met je maatje?

x

Advertisements

Landen

Ik observeer en ondervind, kijk toe en voel hoe het leven door en rond mij stroomt. Ik voel in mezelf en zie rond mij het snelkookpangevoel dat ons lijkt over te nemen, het bijna voortdurende gevoel van spanning waar velen van ons mee rondlopen, het grote aantal mensen dat zich uitgeput voelt en het razende tempo waaraan mensen zich opbranden. Het houdt me bezig, de observerende verslaggever in mij wilt het begrijpen, een ander deel in mij voelt soms zelf angst om verzwolgen te worden door de groter wordende golven van het leven.

Ik heb een burn-out horen en voelen krassen aan mijn voordeur. Vrienden waarschuwden me voor die ongenode gast. Aan de andere kant stond ik, met mijn rug tegen de deur, en voelde door de kieren een hete adem in mijn nek. Koortsachtig keek ik rond en zocht hulpmiddelen. Met elke nacht van onderbroken slaap en racende gedachten om 4u, groeide mijn angst om het niet te winnen. Tot ik vleugjes rust begon toe te laten in mijn oververhitte brein. Tot ik probeerde om alvast de angst om de angst niet meer te voeden.

Terwijl ik daar stond weerstand te bieden en andere mensen observeerde die ook hun gevecht leverden, of net kopje onder gegaan waren in hun persoonlijke woeste baren, werd mij iets duidelijk. We hebben collectief nood aan landen, afwerken, afsluiten en tot rust komen. Een open deur? Misschien, maar laat me toe er even wat dieper op in te gaan.

In de jaren ’20 van de vorige eeuw benoemde een kiene onderzoeker het fenomeen van “open-taakspanning”. Het is wat de naam zegt: als je een taak te doen hebt, blijft er een zekere mate van spanning aanwezig in je systeem, totdat de taak afgewerkt is. Denk aan een to-dolijstje en hoeveel deugd het doet om iets van dat lijstje te kunnen doorstrepen. Het geeft je een gevoel van controle en een zekere mate van verlichting. Check, afgewerkt, taak gesloten, spanning weg. Toen ik er voor het eerst over hoorde, resoneerde iets in mij met die term. Open-taakspanning, dat kende ik maar al te goed. Een taak afwerken betekende spanning, zeker als je elke taak perfect wilde afwerken.

Het grote probleem is dat wij met z’n allen voortdurend in een geheel van ontelbare open-taakspanningen leven en functioneren (of dus niet). De som van die spanningen is simpelweg teveel voor ons systeem, voor onze weerstand. Dan springt de “plomb” (Noot van de vertaler: “plomb” = zekering). Mensen in een burn-out zeggen misschien niet toevallig dat opeens het licht uitging.

Flashback naar 30 jaar geleden: de laatste pagina van de krant sla je met een kleine zucht om. Je bent weer mee en pas de volgende ochtend zal er zich een nieuw pakketje nieuws aandienen. In de tussentijd kan je luisteren naar het radionieuws om 13u of 18u of kijken naar het avondnieuws. Heb je een vraag voor iemand, dan bel je of ga je langs en je hebt het antwoord. Meer omslachtige vragen of verhalen pen je neer in een brief. Een antwoord daarop kan je ten vroegste een week later verwachten. Relatief simpel en met veel gelegenheden om open taken te sluiten.

Hoe het er nu aan toegaat, hoef ik niet te vertellen. Nieuwtjes, updates en breaking news vliegen rond, vragen worden gesteld of ontvangen via sms of mail en creëren tientallen open taakjes. Na een offline activiteit voel je een nieuwsgierigheid kriebelen. Zou er iets gebeurd zijn in de wereld ondertussen? Heeft iemand me misschien een boeiend of interessant bericht gestuurd? Want dat zijn – voor mij althans – de worteltjes die het hardst aantrekken. Een persoonlijk bericht ontvangen van iemand geeft ons systeem een heerlijk gevoel van voldoening, van gezien zijn. En dat is verslavend.

Mijn hoofd zit vaak vol onbeantwoorde vragen, of spanning over berichten waarop ik een antwoord verwacht. De allerergste zijn die berichten waarin je je kwetsbaar opstelt, iets vraagt of iets doet dat net buiten je comfortzone ligt. Na het drukken op de Verzend-knop wil je eigenlijk onmiddellijk antwoord. In de uren en dagen waarin er geen antwoord komt, begin je aan jezelf te twijfelen, herlees je ontelbare malen je verzonden bericht. Heb ik misschien iets fout gezegd? Was het erover? Te gedurfd? Al die onbeantwoorde berichten, klein en groot, neem je mee.

En dus probeer ik tegenwoordig voor kleine vragen de telefoon te nemen en te bellen. Ook al heb ik een aangeboren weerstand tegen telefoneren, liever dat dan afwachten zonder enig zicht op wanneer je antwoord zal krijgen. Of als je afspreekt met iemand meteen ook plaats en datum vastleggen. Niet enkel de dag en dan een “we zien tegen dan nog wel om hoe laat en waar”. Ook dat zweeft rond.

Ik voel de laatste tijd een onnoemelijk groot verlangen om af te ronden, te landen. Landen betekent ook terug met je voeten op de grond komen. Weg uit je hoofd waar de open taken rondvliegen als vallende sterren. Sterren die de neiging hebben om vooral te vallen tussen 4 en 6 uur ’s morgens.

Wat mij helpt zijn oude beproefde zaken, zoals discipline (mijn mail niet afhalen op mijn telefoon na 18u bijvoorbeeld) of mono-tasking. Het is met veel vallen en opstaan. Zo heb ik telkens wel weer een goede reden om toch nog even mijn mail te bekijken, of toch te proberen twee of meerdere zaken te combineren. Waar ik naar streef, en wat ik graag mee in de wereld wil zetten voor dit jaar, is focus en aandacht. Focus op waar je mee bezig bent. Een blokje tijd reserveren voor het afwerken van mails of andere berichten en nadien dat blokje sluiten. Zoveel mogelijk met aandacht doen. Kijken naar waar je mee bezig bent. En proberen zoveel mogelijk te landen, in het kleine en in het grote.

Ik wens je een mooi en voldoeninggevend 2017 met werk-, speel- en rustplaatsen in de verhouding die jou het best past. Geniet ervan!

Van harte.

x

 

De prijs van zelfontwikkeling

 

Er is iets dat me bezig houdt. In het Engels klinkt het zoveel mooier: Something’s puzzling me… Ik probeer te begrijpen welk deeltje van mijn verontwaardiging “terecht” is, welk deeltje te maken heeft met mezelf, enz…

Het gaat me om het volgende: elke vorm van zelfhulp heeft een kost. Dat een bezoekje aan een therapeut, een workshop of een weekendje rond zelfontwikkeling een prijs heeft, is niet meer dan normaal. Beschouw het als een soort remgeld. De prijs die je ervoor betaalt (letterlijk dan, in geldelijke termen), is normaal gezien net iets boven waar je je comfortabel mee voelt. En dat is, zo men zegt, ook de bedoeling. Het doet je tweemaal, of nog meer maal, nadenken welke begeleiding, opleiding, cursus of workshop je zou volgen, en welke toch maar niet. Tot daar ben ik nog volledig mee.

Voor mezelf doe ik het zo: ik probeer bij elk aanbod dat me op het eerste zicht aanspreekt, goed te voelen of het klopt: heb ik het gevoel dat ik er moet zijn. Dan pas kijk ik naar de prijs. Niet andersom. Het zou al te gek iets te volgen omdat het niet duur is. En andersom probeer ik ook te zorgen dat ik het geld bijeen krijg voor iets waarvan ik echt het gevoel heb dat ik er moet/wil zijn. Dit is altijd vanzelf gegaan. Mijn loon als bediende gebruik ik voor het dagelijks leven en het huishouden, alle extra’s die ik verdien door in bijberoep thesissen na te lezen en studenten te begeleiden, houd ik apart en gebruik ik om boeken te kopen of cursussen te volgen. En gek genoeg, of net niet, is dat altijd supermooi uitgekomen. Zo had ik ooit een student die ik intensief van de thesisdood moest redden, en die mooie som kon ik twee maanden later gebruiken voor een intensieve training. So far so good.

De laatste tijd bots ik echter op dingen die me aantrekken, maar waarvan de kostprijs mij totaal buiten proportie lijkt. Toegegeven, het gaat niet om standaardcursussen, maar wel om zaken die aangeboden worden voor een specifieke doelgroep, in dit geval hoogbegaafden. Zoals wel meer mensen, ben ook ik op zoek naar een invulling van mijn leven en werk die écht bij me past. Of om het in de in die wereld populaire woorden uit te drukken: om mijn missie te vinden, mijn passie in te zetten, mijn talenten te vinden en die te gebruiken om van de wereld een betere plaats te maken. Vergeef me mijn ietwat cynische ondertoon, ik weet dat ik die woorden zelf ook al meer dan eens gebruikt heb, maar op dit moment vermengen ze zich met een bepaalde dosis verontwaardiging die een subtiel, doch niet te ontkennen effect heeft op mijn binnenkant….

Een coachingsessie voor een hoogbegaafde door een hoogbegaafde: 250 euro per uur. Een jaartraject om je missie te vinden als hoogbegaafde: 3000+ euro. Een weekend (!) met een groepje van 12 hoogbegaafden om samen je eigen business op poten te zetten of verder uit te werken: 2500 dollar. Ok, die laatste gaat wel over een weekend in het zuiden van Engeland (vervoer dus nog bij te tellen), begeleid door een Amerikaanse (die dus moet overvliegen), maar komaan, kunnen we even redelijk blijven? Twaalf maal 2500 dollar is een gigantische som. Daar kan je veel transatlantische vluchten mee maken…

Dat deze bedragen gangbaar zijn in de bedrijfswereld, wist ik al langer. Toen ik mijn eerste stappen zette in die wereld, zei iemand me dat ik het moest bekijken als Monopoly geld. No kidding… Zo kan je 5 dagen naar de Westkust van Amerika voor een aantal bedrijfsbezoeken, begeleid door een Vlaamse zelfverklaarde “thought leader” (de combinatie van die twee woorden alleen al doet een rilling over mijn rug lopen, zie je iemand als de Dalai Lama al zeggen “hello, I’m a thought leader”?) voor 7500+ euro (vluchten niet begrepen).

En dus zit ik mij hier af te vragen wie een probleem heeft: ik, of de wereld? Hoe ik ook mijn best doe, ik kan geen reden bedenken waarom wie dan ook ter wereld zoveel betaald zou moeten worden. Dat is voor mij als gaan eten in een sterrenrestaurant: de prijs voor lekker eten verhoudt zich voor mij niet in een lineaire curve zonder einde. Hoe lekkerder, hoe duurder: misschien, maar wel maar tot op een zeker punt. Ik zou nooit, hoe hemels lekker ook, pakweg 200 euro kunnen neertellen voor een etentje. Maar daar zal mijn Kempische nuchterheid wel voor iets tussenzitten. Maar dus zo ook voor mensen en hun talenten. Sommige mensen zijn zeer getalenteerd, en hebben iets te bieden aan de wereld, of aan een bepaalde groep van mensen in de wereld. Maar ook die waarde heeft in mijn ogen een maximum. Een coachingsessie van een uur mag nog zo fantastisch zijn, voor mij zal het nooit 250 euro waard zijn. Tenzij die persoon voor dat geld de software in mijn hoofd en systeem kan resetten. Want al bij al wandel je daar na dat uur gewoon als jezelf naar buiten, en moet je het toch zelf doen.

Bij het bovengenoemde aanbod van het exclusieve weekendje had ik vooraf voor mezelf een prijs ingeschat. Aangezien ik weet dat ik mijn initiële schatting altijd minstens moet verdubbelen en nog naar boven afronden, had ik dat in het geval van het weekendje in Zuid-Engeland ook gedaan. Of correcter: ik had voor mezelf op voorhand een bedrag voorgenomen dat ik eraan zou willen geven. In dit geval moest ik het maal 5 doen.

Vandaar mijn vraag: zie ik hier iets over het hoofd? Ik begrijp het wel hoor. Personen die zo’n aanbod doen, hebben zelf meestal een hele weg afgelegd. Ze hebben zich zelf ook (licht)blauw betaald aan zelfontwikkeling en worden vaak begeleid door duurbetaalde coaches die hen ondersteunen (ik lees het nu even als “pushen”) om de in mijn ogen veel te hoge bedragen te vragen. En de mensen die deelnemen zullen de investering op een dag ook willen gaan terugverdienen.

Hoeveel is zelfontwikkeling waard? Wordt hier niet het beeld gecreëerd dat, als je maar voldoende geld neertelt, je de antwoorden op je vragen gaat vinden? En dat, voor wie niet betaalt, die voor altijd onbeantwoord zullen blijven?

Wat is er mis met het ruimhartig delen van je kennis & ervaring, zomaar, of tegen betaling van een gepaste prijs? Het kan ook anders. Zo ga ik nu, voor een nieuwe ontwikkeling in mijn leven, naar één van de beste logopedisten die er in Vlaanderen rondloopt. Een absolute krak in haar vak. De eerste keer dat ik ging, hield ik mijn hart vast, maar ik had, zoals steeds, voor mezelf een bedrag bepaald dat het zou mogen kosten. En wat bleek? Zij vraagt het officiële logopedistentarief, afgerond naar boven met 2 euro (!). Zo kan het dus ook.

Ik zou het fijn vinden om jullie mening hierover te horen. Misschien krijg ik wel een verfrissend nieuw perspectief aangereikt. Nu zie ik het vooral als een kwalijke evolutie van mensen die zelf al ploeterend hun weg hebben gevonden en dan “groot” geld gaan verdienen aan andere zoekende mensen. Niets mis met lichtende voorbeelden, die hebben we nodig, maar waarom moet dat omgezet worden in big business? Of zou het toch gewoon de oude vertrouwde wet van vraag en aanbod zijn? Dat de waarde van iets bepaald wordt door wat mensen bereid zijn ervoor te betalen? Tussen de economische wetten en mezelf zal het nooit grote liefde zijn.

Ik vraag mij af waar het gezond verstand naartoe is. Kunnen we niet gewoon collectief eens landen en kijken met welk opbod we eigenlijk bezig zijn…

Tot slot nog deze oproep: als ik op een dag het equivalent van een ruim maandloon vraag om een paar uur met mij van gedachten te wisselen, wil iemand mij dan alsjeblief een sjot onder mijn gat geven en me met mijn 2 voeten terug op de grond zetten? Dank u.

Ondertussen houd ik me bij mijn oude vertrouwde manier van zoeken naar mijn weg: veel praten, luisteren en lachen met partner en vriendinnen, boeken lezen, cursussen volgen, stil worden, in de natuur wandelen en mezelf af en toe kei-hard relativeren.

x

Verzoeknummer

Ze had een verzoeknummer voor mijn blog, zei ze. Of ik niet een keer wilde schrijven over mijn man, hoe we mekaar hadden leren kennen en zo. Ze zei er benieuwd naar te zijn na het lezen van de verhalen op mijn blog.

De vraag kwam zo onverwacht, maar oprecht, dat ik even stilviel. Ik voelde hoe de vraag een klein luchtgaatje maakte in het onafgesproken cordon in mijn hoofd dat ik niet schrijf over mensen in mijn directe omgeving die ik onvoldoende kan anonimiseren. Het gaatje bracht lucht, inspiratie en herinneringen binnen. Dus, E., hier is je verzoeknummer:

Het is januari 1990. Op papier ziet dat er erger uit dan het was. Het leven verliep al in kleur toen. Al kon ik toen onmogelijk weten dat mijn leven achteraf gezien tot dan nog redelijk monochroom verlopen was. Ik was bijna 17 en dacht de wereld goed te begrijpen, of toch dat kleine stukje ervan dat wij kenden in de stille Kempen, met maar een handvol televisiestations, muziek op cassetjes en klas- en scoutsfuiven op fietsafstand. Om die wereld te snappen had ik het onderverdeeld in hokjes. Naar het schijnt een normale menselijke reflex. Ik leefde gelukkig en naïef in mijn netjes afgebakende wereld. Elke ochtend om 6u40 uit bed, voor de 10 minuten badkamertijd die voor mij gereserveerd was in de ochtendspits van een gezin met 4 pubers, en elke avond om 21u15 er weer in. Meestal moe maar voldaan. Mijn wereld speelde zich af op school bij mijn vriendinnen, thuis en op zaterdag bij de scouts. Dat was het. De tijd daartussen bracht ik door in boeken. Ik verslond ze en genoot intens van de andere werelden en tijden waar ze mij in meenamen.

In mijn dagdromen had ik de ideale jongen al samengesteld: hij zou bruine krullen hebben (maar dat was bijzaak), het voornaamste was dat hij sociaal, lief en grappig zou zijn (en gitaar kon spelen). De eerste verkenningen brachten mij bij jongens die nog niet in de buurt kwamen van dit ideaalbeeld. Ook al ging ik er vanuit dat die ideale kerel met zijn krullen niet bestond, toch vroeg ik me soms af hoe het moest gaan als zou blijken dat die jongen wél bestond, maar bijvoorbeeld in Canada zou wonen. Dat zou zo jammer zijn.

Ondertussen waren er bij ons op de middelbare school enkele jongens gestart. Die school, al meer dan 100 jaar een bastion van meisjes, liet voor het eerst jongens toe. Omdat het moest. Op de ongeveer  2000 meisjes (in grijze uniformrok) viel het 30-tal jongens hard op. Het duurde dan ook niet lang vooraleer we ze allemaal geïdentificeerd hadden. Wij, dat zijn mijn vriendinnen en ik. In de kunstklas van ons jaar zaten 3 jongens. Eén ervan was heel opvallend, met donkere krullen en een brilletje, de andere kende ik vanuit ons dorp en de derde was zo onopvallend dat hij meteen in het hokje “grijze muis” terecht kwam.

Die grijze muis bleek net als ik klasverantwoordelijke te zijn en dus kwamen we samen in het leerlingenparlement terecht. Hij had daar ook al gezeten in het 5e middelbaar, net als ik, maar ik vond hem zo grijs en ogenschijnlijk saai, dat ik geen minuut aandacht aan hem besteed had. Ik wist zelfs niet hoe hij heette (wat opmerkelijk was, aangezien ik bijna alle namen kende van het 300-tal leerlingen van ons jaar). Ik noemde hem “die van kunst met zijn blauw sjaaltje”.

In de winter van het laatste middelbaar zaten we in een vergadering van het leerlingenparlement en werd er een onderwerp aangehaald dat we het jaar ervoor al besproken hadden. Als anciens van het leerlingenparlement, gingen die van kunst met zijn blauw sjaaltje en ik daarop in. Voor het eerst keek ik hem aan, en voor het eerst hoorde ik zijn stem. Hij wees naar mij en vertelde tegen de groep wat ik daar vorig jaar over gezegd had. Ik was met stomheid geslagen. In mijn hokje van grijze muis had ik meteen alle voor mij logisch lijkende eigenschappen op hem geplakt: hij was – in mijn ogen – ongeïnteresseerd (want zei niet veel), luisterde waarschijnlijk niet naar wat er gezegd werd en zat daar zonder twijfel tegen zijn zin. Maar toen hij begon te spreken, was het alsof er een licht op hem ging schijnen. Het grijze, vlakke silhouet kreeg kleur en diepte.

Nadien begonnen we te praten, met 2. Hij bleek mooie ogen te hebben, waarmee hij indringend kon kijken. Ik vond het wel een beetje een rare jongen, ongewoon, maar mijn interesse was gewekt. Een paar dagen en heel wat opgewonden gesprekken met mijn vriendinnen later, was de interesse opgelaaid tot een ware verliefdheid. Helemaal volgens het boekje: voortdurend aan het kijken waar hij was, of hij naar mij keek, een horde vlinders en ander fladderend gewapper in mijn buik,…

De eerste afspraakjes hebben we uren gepraat en in mekaars ogen gekeken. Ik las graag, en hij bleek zoveel andere boeken gelezen te hebben, die ik dan meteen enthousiast in de bib ging zoeken (zo leerde hij me Herman Hesse kennen – verslonden heb ik die boeken). Ik luisterde graag naar muziek, hij bleek een muzieksmaak te hebben die zo breed was dat er geen begin en geen einde aan was. Hij nam voor mij cassetjes op met muziek die ik vaak vreemd, maar ook prachtig vond. Bijna alles was nieuw. Hij was creatief, grappig en intelligent. Hij schreef poëzie waar ik met mijn hoofd niets van begreep, maar die mijn ziel raakte. De jongen die ik zo gemakkelijk in een hokje had gestoken, bleek in geen enkel hokje te passen. Nog steeds niet.

Probeer hem te snappen, en hij ontglipt je. Probeer hem vast te pinnen, en hij glijdt eronder uit. Nog steeds is hij de boeiendste mens die ik ken. Telkens als ik hem zie, maakt mijn hart nog een klein sprongetje. Hij is mijn beste vriend en het anker in mijn leven.

Nu zijn we bijna 26 jaar later, en we zijn langer samen dan dat we alleen geweest zijn. We zijn samen opgegroeid, hebben samen kinderen op de wereld gezet en zijn dus meer dan sterk verstrengeld met mekaar. Maar daarbuiten hebben we ook elk onze eigen ruimte nodig. Ruimte en vrijheid om te ontwikkelen, om onze eigen weg te gaan, in contact. We leggen de lat hoog voor onszelf, en dus ook voor de mensen dicht bij ons. We zijn mekaars klankbord en spiegel en houden mekaar scherp. Wat niet altijd eenvoudig is. Soms bevalt het beeld in de spiegel je niet, en word je boos op de spiegel…

Niet dat het altijd gemakkelijk is. Om het met de woorden van mijn schoonmoeder te zeggen: “het is stil waar het nooit waait”. Het heeft al flink gewaaid bij ons. Soms tot orkaansterkte, dat we beide dachten dat we er niet meer uit zouden geraken. En toch, in het midden van de storm, bleven we af en toe aftoetsen bij onszelf en mekaar: “zou  het kloppen om uit mekaar te gaan?”. En telkens was het antwoord nee, ook al waren we zelf het geloof in een goede afloop verloren. En zie, we hebben het overleefd. Niets zegt dat er niet nog eens een orkaan zal opsteken. Wat het leven brengt, weten we niet. Maar we hebben onze basis, onze liefde en ons diep respect voor mekaars diepte en eigenheid, voor mekaars ongrijpbaarheid. In het loslaten van de ander het vertrouwen voelen. En een immense dankbaarheid voor zoveel liefde en trouw.

Het haakje

Hij stapte mijn leven leven binnen. Jong, knap en charmant. Moeiteloos baande hij zich een weg naar mijn hart, dat zich zonder weerstand opende. Ik had geen verweer tegen zijn jongensachtige speelsheid en warme aandacht.

Een tijd later wandelde hij weer mijn leven uit. Mijn hart leek te scheuren. Net zoals wanneer ik dacht hem te zullen zien, en hem toch niet zag, dan kneep mijn hart samen en draaide zich in een knoop, wat mij de lucht benam en soms zelfs misselijk maakte.

Onrust en storm in mijn binnenste. Die kalmeerde telkens als ik hem voldoende lang niet zag of hoorde. Maar bij de eerste aanblik of gedachte begon het weer, die kermis vanbinnen. Iemand anders zou het misschien verliefdheid noemen, maar voor mij was het iets anders. Iets dat ik niet kon grijpen, maar wat voor mij geen verliefdheid was. Dit was een onontkoombaarheid, een dwingeland uit heel oude tijden. Een bijna primitieve reactie op iets wat heel mijn lijf leek te kennen.

Het was niet de eerste keer dat dit zich voordeed. Ik herkende een patroon dat zich al vaker getoond had in mijn leven, en waaraan ik in het verleden soms grotere conclusies had verbonden. Nu leek ik net voldoende bewustzijn te hebben om mezelf te observeren en om tegelijk heel erg nieuwsgierig te worden. Wat was dit toch, dat telkens zo de grond onder mijn voeten kon weghalen?

Hij was uit mijn leven, de storm was gaan liggen. Maar het was nog vers genoeg om het gevoel op te roepen. Eén beeld van hem oproepen, en mijn lichaam reageerde. Dat is wat ik deed in mijn 2-wekelijkse focussessie met mijn focusmaatje K.

Ik sloot mijn ogen en zakte naar binnen. Ik riep het beeld op en voelde wat er gebeurde. In mijn onderbuik voelde ik een haakje. Het was zo’n typisch gekromd haakje, zo één waar je in oude cafés de deur van het toilet mee moet sluiten als het gewone slot het niet meer doet. Het haakje leek in een blokje beton te zitten, en stak naar buiten, uit mijn buik. Ik voelde hoe de jongeman die mijn leven in- en uitgestapt was, het haakje aangeraakt en in beweging gebracht had. Als een schommel die heen en weer gaat. Die beweging zette heel mijn systeem in gang. Het haakje werd verondersteld stil te hangen, in zijn betonnen blokje. Ik zag hoe ik normaal gezien voldoende afstand houd van mensen, zodat niemand dat haakje ziet of aanraakt. Op een veilige afstand. Maar deze jongeling was zonder boe of ba op mij afgestapt, had het haakje gezien en er even speels een duw aan gegeven.

De beweging in mijn buik bleek in rechtstreeks contact te staan met een immense brok verdriet, hogerop, in mijn keel. De woorden die erbij hoorden, waren heel simpel en duidelijk. “Blijf bij me, blijf bij me, blijf bij me,…” Het verdriet werd intenser. “Laat me niet alleen, laat me niet alleen.” “Ik kan het niet alleen”. Mijn focusmaatje begeleidde me rustig naar het volwassen stuk in mezelf, waarbij dit hele oude verdriet gewoon zichzelf kon zijn, en zijn eigen waarheid mocht tonen.

De sessie had me zoveel helderheid en rust gebracht. Ik reed opgelucht en opgeruimd naar huis. Onderweg bedacht ik dat dit wel eens het haakje van de verlatingsangst (en dus ook van zijn keerzijde, de bindingsangst) zou kunnen zijn. We (ja, dat durf ik zeggen, ik weet ondertussen dat ik niet alleen in dat schuitje zit) houden mensen op voldoende afstand van ons haakje. Want dat haakje, ook al lijkt het stevig gebetonneerd, staat rechtstreeks in verbinding met onze kwetsbaarheid en ons potje oude pijn en verdriet. Als er dan iemand zich aan het haakje vastklinkt, en op die manier het hele zorgvuldig opgebouwde evenwicht als een kaartenhuisje onderuit haalt , dan gaan alle (oude) poppen aan het dansen, en willen we nog maar 1 ding: blijf bij mij, laat me niet alleen, ik kan het niet alleen. Als die persoon dan het haakje weer loslaat, voel je de immense pijn van de verlating, die zo diep in ons systeem opgeslagen zit. De oude pijn en de angst dat dit misschien wel eens de laatste persoon is geweest die het haakje opgemerkt heeft. Misschien komt er nooit nog iemand langs, en blijven we altijd alleen.

En zo ben ik opnieuw, en nog maar eens, dankbaar, voor alles wat er in mijn leven gebeurt. Alles wat me raakt en overhoop haalt. Elke gebeurtenis leidt me een stukje meer naar binnen, tilt de sluier een beetje verder op, brengt me dichter bij mezelf.

Mijn eigen waarheid, die ik deel om mezelf te helen en om, wie weet, anderen te raken of herkenning te bieden.

Ik bied je het aan, met heel mijn hart.

x

Het nieuwe taboe

Al weken loop ik rond met een thema waarover ik wil schrijven, en al net zo lang lijk ik rond de hete brij te blijven cirkelen. Want heet is het. Warm & borrelend, kolkend als lava. Het thema dat me bezighoudt, is kwaadheid. Woede, boosheid, onmacht, frustratie,… de hele zooi.

Op dagen dat ik me boos voel en de frustratie in mezelf voel wringen, knijpen en duwen, wil ik allesbehalve eens rustig de pen ter hand nemen. Er zijn ook dagen dat ik me goed voel, rustig als op een licht kabbelend water. Dan lijkt het thema zo ver weg (tot mijn grote opluchting), dat geen haar op mijn hoofd eraan denkt om het gevoel uit te nodigen en mij er vervolgens in te laten zakken, om erover te kunnen schrijven. En zo gaan de weken voorbij. Maar ik voel dat het thema aan mij blijft trekken. Het reist met me mee en houdt me gezelschap, ergens in de periferie van mijn blik- en ervaringsveld.

En o, wat is het een kanjer. Het is donker & groot als een onweersfront. Het rommelt en af en toe komen er flitsen uit. Het beangstigt me, en meestal ben ik blij dat het me nog net niet ingehaald heeft. De kracht en schijnbare onverzettelijkheid ervan intrigeren me. Zoveel kracht, 100 000 volt, maar totaal niet te geleiden. Iets waar je enkel aan ten onder kan gaan. Zo lijkt het.

In de Liefdesbang-training, ondertussen al weer meer dan 6 maanden geleden, gingen we een oefening rond kwaadheid doen. De kussens & mattenkloppers werden klaargelegd. Waar ik bij de andere oefeningen altijd lichtjes ongeduldig had staan popelen om eraan te beginnen, was mijn enige reflex nu om kei-hard weg te lopen. Waar was de uitgang? Deze beker wilde ik aan mij laten voorbijgaan. De oefening werd uitgelegd en de eerste persoon begon eraan. Het zweet liep van me af. Ik wilde weg. Ik besefte dat ik liever 10 kilo verdriet heb dan 100 gram kwaadheid.

Niemand van onze groep zat echt te springen om deze oefening te doen. Sommigen raapten hun moed bij mekaar, bij andere haalde de nieuwsgierigheid het van de angst of weerstand. Ik kon enkel totaal ontdaan toekijken. De woede & kracht die vrijkwamen bij de persoon die de oefening deed, bliezen me omver, al zat ik tegelijk als vastgenageld op mijn stoel. Alles in mijn lijf stond op de hoogste alarmstand. Ik wilde er vooral niet zijn.

Gaandeweg voelde ik naast de angst en weerstand ook een kiem van nieuwsgierigheid. De transformatie die de personen tijdens de oefening leken door te maken, fascineerde me. Ik besloot dat ik de oefening zou doen. Ze niet doen zou me met spijt en onvervulde nieuwsgierigheid achterlaten.

Ik ging klaarstaan, recht tegenover Hannah, de begeleidster van de training. Het “enige” wat je moest doen, was mekaar in de ogen kijken, het ene woord zeggen dat je voor jezelf bedacht had en dan kloppen (op het kussen). De cyclus van kijken, het woord uitspreken en slaan werd een aantal keer herhaald. Het bouwde op, maar ik voelde dat er nog een drempel was. Tot Hannah als antwoord op een luide “NEE” van mijn kant zei: “wat zeg je, ik hoor je niet!”. Dat was de trigger die mij vol met beide voeten midden in mijn kwaadheid zette. Ik sloeg en het voelde alsof ik door dit zetje plots in de perfect afgestemde positie stond om de kracht van de kwaadheid door mij te laten stromen. Het voelde niet meer vreemd, maar net heel eigen. Het was alsof de lucht opklaarde. Als de zuurstof en openheid die je na een onweersbui in de lucht voelt en ruikt. De waas die soms voor mijn ogen en systeem zit bij het draaien rond de hete brij van de woede, was weg. De wereld keek me plots glashelder aan. Ik voelde me krachtig, moedig en opgeklaard.

De oefening heeft nog lang nagewerkt en heeft me veel over het thema doen nadenken. Hoe het in onze maatschappij gewoon niet aanwezig lijkt te zijn. We ballen het samen en leggen het bij de andere. Meestal bij andere culturen, volkeren of religies die zich in onze ogen “niet zo goed kunnen beheersen”. Bij de mensen die oorlog voeren en volkeren uitmoorden. Wij zijn “beschaafd” en praten dingen uit als iets ons niet zint. En als dan toch eens de stoppen doorslaan bij iemand, dan is dat een individuele aangelegenheid. Die persoon was gewoon niet sterk genoeg of kon het leven niet aan. Zo oordelen wij. Maar wij staan daarboven.

Verdriet hebben we ondertussen, gelukkig maar, wel toegelaten in onze samenleving. Maar het lijkt wel een schaamlapje geworden voor het echte werk. We laten onze tranen de vrije loop op het werk, op café of op de televisie. Zelfs de übermannen van onze tijd, de stoere halfgoden die onze voetballers zijn, zelfs zij pinken in het openbaar al eens een traantje weg. Een ploegmaat of vriend overleden, een baby geboren, een intense overwinning,… de tranen zijn niet ver weg. Prima! Blij dat we al zover gekomen zijn. Maar in plaats van te koketteren met onze moed om verdriet te tonen, zouden we misschien eens kunnen kijken naar de reuzegrote olifant in de kamer. De tikkende tijdbom onder onze samenleving die we dringend moeten zien, benoemen en toelaten: onze collectieve frustratie, boosheid en woede. De onmacht die we voelen bij de immense druk die de maatschappij ons oplegt (lees: die we onszelf opleggen), dat zowel succes als mislukking je eigen individuele verantwoordelijkheid zijn.

De tijd dat we de andere met de vinger konden wijzen, is voorbij (al heeft nog niet iedereen dat door). Het is nu aan jou om je leven te maken. Het ligt niet aan de politiek, niet aan je ouders, niet aan het klimaat, niet aan je baas, niet aan je partner. Elk persoonlijk verhaal van trauma, verdriet of ontnomen kansen kan en moet overstegen worden. Voorbij je verhaal toch iets proberen te maken van je leven. Je talenten gebruiken, je missie ontdekken en leven. Dit is een loodzware verantwoordelijkheid die we onszelf collectief aan het opleggen zijn. En onder die immense druk broeit de frustratie, de afgunst en de onmacht. Waarom lijkt het mij niet zo goed te lukken als mijn buurman of die kennis?

En dit, beste lezer, is het ware betoog van mijn verhaal. Hoe we een nieuw taboe in het leven hebben geroepen. Wat mij betreft: ik wil het gesprek hierover graag aangaan. Maar anders dan bij verdriet, lijken een open gesprek en een welwillende houding niet voldoende te zijn. Dat is enkel het begin. Om de kwaadheid toe te laten in je leven, dien je een actieve stap te zetten. Dit kan je ook niet alleen. Of je doet het toch bij voorkeur met iemand die je vertrouwt. Want de kracht van de “bom” is groot. Overweldigend soms.

Ik denk zelfs dat veel van de vermoeidheid in ons leven zijn oorsprong vindt in de immense hoeveelheid energie die nodig is om het deksel op de snelkookpan te houden. Om glimlachend verder te functioneren in ons leven. Alles onder controle.

Zelf voel ik een verlangen om de kwaadheid in mezelf  verder te gaan verkennen. Om er mijn bondgenoot en energiebron van te maken. Want hoe je het ook bekijkt (onweersfront, bom,…), elektriserend is het in ieder geval.

Maar vergis je niet… kwaadheid is een dampende en sisselende laag, waaronder bijna altijd een diepe pijn verborgen zit. Af en toe steken we er een teen in. Dan grommen, zeuren of bijten we van ons af. Maar er echt in gaan staan, om zo te zinken naar de laag van pijn die eronder zit, dat doen we zelden. Meestal heeft de buitenwereld al gereageerd op ons gemorrel en wordt er heen en weer geroepen en gezwegen. Om er echt in te kunnen zakken, is er veiligheid nodig. En iemand die bij je staat, zonder oordeel, die uit zijn eigen emotie blijft.

Onze maatschappij zal pas een veilige plek zijn om in te leven, als ieder voor zich in zijn of haar eigen leven de verantwoordelijkheid neemt om de boosheid een plek te geven. De idealist in mij weet dat dit perfect mogelijk is. De realist weet dat dit niet voor meteen zal zijn. Nochtans is de nood hoog, heel hoog. Je hebt er moed en geloof voor nodig. De moed om jezelf recht in de ogen te kijken en het geloof dat dit jezelf, je naaste omgeving en de samenleving ten goede komt. Laat ik u dat, beste lezer, alvast en van harte toewensen: moed en geloof. De rest volgt dan wel….

De ban

Ik twijfel. Over schrijven. Over ik die schrijf. Over ik die publiceer wat ik schrijf. Over het doel ervan. De reden eronder. Wat ik ermee wil bereiken. Ik twijfel, en dus schrijf ik (bijna) niet, en dus publiceer ik niet wat ik toch af en toe schrijf. En nu dus wel.

Het liep goed, mijn blog. Ik had mezelf het geduld aangemeten om telkens gewoon te wachten op een verhaal dat zich aandiende. Een gebeurtenis, een gedachte, iets dat zich in mijn bewustzijn wurmde, tussen de rest van het leven door. Het werd een cyclisch proces van de kiemen voelen van een volgend verhaal, het laten rijpen, het neerschrijven, het even afwachten, het herlezen en twijfelen, het dan toch publiceren, het bang afwachten van reacties en het opgelucht ademhalen. Een vermoeiende cyclus, dat kan ik u vertellen.

Op een avond, bij het neervallen van de nacht en het verlagen van het toerental van mijn systeem, sprong er een idee mijn hoofd binnen. Als ik nu eens mijn blogverhalen zou bundelen. Dan had ik een boek, zonder er één apart en officieel te schrijven. Dat leek me nog eens een goedgevonden racourci (pardon my French, ik vind racourci een heerlijk woord). Een boek, zonder er één geschreven te hebben. Blijkbaar was ook mijn interne criticus de dag al van zich aan het afschudden, want het duurde toch wel een volle 2 minuten vooraleer de eerste kritische stemmen opdoken. Wie zit erop te wachten? En wat is de meerwaarde van iets publiceren dat het daglicht al gezien heeft? Een verzoenende stem mengde zich in de discussie. Heb ik niet een neef die prachtige foto’s trekt? Waarom zou ik niet aan hem voorstellen om mijn verhalen te bundelen met zijn foto’s? Dan zou het boek tenminste meerwaarde krijgen…

Heen en weer geslingerd tussen haast euforisch enthousiasme en een allesvernietigend cynisme “dat ze weer eens een idee had”, probeerde ik de slaap te vatten. Wat uiteraard moeilijk lukte. Enkele uren later stroomde met het daglicht ook de realiteit binnen. Opstaan, werken, huishouden,… je weet wel, die zaken die je telkens tot de orde van de dag roepen en je met beide voeten op de grond houden.

De dagen gingen voorbij. Het enthousiasme daalde rechtevenredig met de tijd die verstreek. Maar toch was er iets in mij dat vond dat ik het idee op zijn minst aan mijn neef moest voorleggen. En dat deed ik. De vraag stellen alleen al was super confronterend. Ik vroeg me af hoe ik het in mijn hoofd gehaald had en waar ik het lef vandaan haalde om hem die vraag te stellen. Hij reageerde positief, maar liet het initiatief – terecht – bij mij. Het was tenslotte mijn idee.

Een tijd later zat ik met een vriendin op een terras. Haar man kwam erbij zitten. Ik was net aan het vertellen over mijn idee van de gebundelde blog. En wat dat allemaal in gang had gezet. De man van mijn vriendin vroeg belangstellend waar hij die blog kon vinden. En of ik het zag zitten om de verhalen af te printen, zodat hij ze op papier kon lezen. Of het bewust was of niet, dat weet ik niet, maar hij had me de beste opdracht gegeven die ik kon krijgen op dat moment. Actie. Elk verhaal gaan kopiëren en plakken in een Word bestand. Het werd een intens proces, want uiteraard las ik elk verhaal opnieuw. Het had ook een positieve ondertoon. Waar ik verwacht had alleen maar kritiek te voelen voor mijn eigen teksten, was ik wonderwel aangenaam verrast door de mildheid en openheid waarmee ik ze kon herlezen. Deze horde was goed genomen.

Bij de volgende ging het mis. Ik was online gebotst op de naam van een jonge vrouw die een soort platform heeft waarop verschillende blogs gepost worden. De rode draad erdoorheen is authenticiteit. Het korte interview met de vrouw raakte me. Ik kon me helemaal vinden in wat ze schreef. Haar website intrigeerde me. Ook al voelde ik het verschil (dat ik op dat moment niet kon benoemen), ik voelde me aangetrokken door het idee van het platform. Het deed me ook voelen hoe ik verlangde naar een netwerk. Hoe ik soms het gevoel heb alleen te staan roepen in de woestijn. Hoe ik zo graag niet alleen zou staan in mijn poging mij bloot te geven in een wereld die daar niet op lijkt te zitten wachten.

Ik schreef de jonge vrouw een mail, waarin ik onderaan de link naar mijn blog gaf. Ik stelde geen expliciete vraag, maar een goed verstaander, wat zij uiteraard zou zijn, zou mijn impliciete vraag wel verstaan. De stilte in mijn mailbox de dagen nadien zette alle twijfelregisters wijd open. Wat had me bezield om die vrouw een mail te sturen? Het was toch duidelijk dat zij veel jonger, hipper en trendier was dan ik? Dat wat zij en de andere vrouwen op het platform schreven, veel vlotter en eigentijdser was dan wat ik deed? Op een late zondagavond kwam dan toch een antwoord. Een mooi opgesteld bericht, met zorgvuldig gekozen woorden en een respectvolle toon. Maar het enige wat ik las, was dat ik nog moest groeien als schrijfster. En de zinsnede “Als je echt vooruit wilt,…” die zich met enkele weerhaakjes in mijn systeem vastzette. Wilde ik vooruit? En in welke richting dan?

Het effect van haar mail was even snel als ongenuanceerd. Ik stopte met schrijven. Ik stopte met de illusie hebben dat ik ooit een boek zou schrijven. Ik stopte met het idee om mijn verhalen te bundelen. Met of zonder foto’s. Het was duidelijk: niemand zit erop te wachten. En bovenal: ik was duidelijk nog niet klaar om met kritiek om te gaan.

De dagen en weken die daarop volgden,voelde ik me verweesd. Alsof er iets weggenomen was wat ik wel erg nodig had. Ik wilde schrijven, maar deed het niet meer, trouw aan mijn conclusie dat het gedaan was met schrijven.

Gelukkig (o mooie synchroniciteit in het leven) kreeg ik een tijd later de kans om dieper in te gaan op dit thema. Ik focuste op de onzekerheid over mijn toekomst in het schrijven. Het werd me doorheen het proces duidelijk waarom ik schrijf. Het is voor mij een helend proces. Met elk verhaal dat ik schrijf, beleef ik het gebeurde opnieuw, tot in alle details. Dit is een intens proces dat ik lijk nodig te hebben om elk van die zaken een plaats te geven. De drijfveer die eronder ligt, is verbinding. Door te schrijven verbind ik mij met mezelf, met de gekwetste of te weinig geziene stukken in mezelf. Ik verbind me met de lezer, en door wat ik schrijf, kan de lezer zich verbinden met zichzelf. En omdat dit proces zo nodig en heilzaam is voor mij, moet ik er gewoon mee doorgaan.

Dit verhaal moet de ban breken. Het is spannend. Ik voelde diepe schaamte na het antwoord van de jonge vrouw, die overigens de nagel op de kop sloeg. Ik moet nog groeien. Niet vanuit een oordeel van iemand die het beter zou weten, maar simpelweg omdat schrijven voor mij een groeiproces is. Iets dat zich organisch ontvouwt en waarvan ik niet weet waar het mij zal brengen. Ik probeer dankbaarheid te voelen voor deze stap, en me weer over te geven aan de stroom, nieuwsgierig naar de volgende tussenstop…

x

Het maillot

Het beeld van de sombere speelplaats op een winteravond, in een voor mij onbekende school in Heverlee, was de laatste jaren af en toe terug in mijn herinnering gekomen. Vreemd vond ik dat, want het was een beeld van meer dan 17 jaar geleden, in een op het eerste zicht gewone passage in mijn leven. Aan die speelplaats was namelijk een turnzaal. En in die turnzaal ging ik naar de dansles, moderne dans, voor beginners. Iets deed me terugkeren naar die ervaring, maar ik was er nooit verder op doorgegaan. Tot vorige week, in mijn tweewekelijkse focus-sessie met mijn focusmaatje K.

Dansen heeft altijd in mij gezeten. Ik heb gedanst, in vele vormen en gedaanten. Als kind volgzaam bij de volksdans in het dorp, streng en perfectionistisch in de balletles, al iets lossere figuurtjes volgend bij jazz dance en uren en uren in mijn eentje op mijn kamer. Als ik wat ouder was, verkende ik andere vormen, zoals stijldansen (waarbij ik meestal de man moest spelen, omwille van mijn lengte), buikdans, Afrikaanse dans, Afro-Braziliaanse dans, Salsa, 5-ritmes dans, sacrale dans,… Een paar jaar geleden ben ik zelfs gaan kijken naar een website over paaldansen (no kidding!), omdat ik had gehoord dat het zo’n goede alomvattende sport was. Totdat ik zag in welke minuscule broekjes en pakjes je verondersteld werd je te hijsen. De pagina was snel gesloten.

Maar dus het hoofdstuk moderne dans – voor beginners. Ik moet zo’n 25 jaar geweest zijn. We woonden in de buurt van Leuven. Door mijn voltijdse, zittende job, had ik zin in beweging. En bij beweging denk ik – of dacht ik toen toch zeker – aan dans. Dat is voor mij de meest natuurlijke en ontspannende manier van bewegen. Ik ging wat rondkijken en –horen (surfen was in die tijd nog heel erg beperkt). Ik botste op een foldertje over lessen moderne dans. Het telefoonnummer dat ik belde, bracht mij bij een onaangenaam klinkende man, beetje betweterig type, maar hij bleek enkel de organisator te zijn. De danslessen zelf zouden door iemand anders gegeven worden. En dat ik uiteraard eens een les mocht gaan proberen.

Ik was in de wolken. Moderne dans fascineerde me, maar ik dacht dat ik er niet geschikt voor zou zijn. Reden genoeg om toch te proberen, zeker nu het voor beginners was (die term was heel belangrijk – het gaf me het gevoel dat ik het mocht proberen).

De les ging door in een typische turnzaal van een school in Heverlee. Ik zie nog heel de weg er naartoe: de spoorweg over en dan schuin links een steile weg naar boven. De turnzaal rook zoals een turnzaal ruikt, met samengerolde stofplukken en andere substanties onder je voetzolen die je vooral probeert te negeren, maar die je na de les met je handen wegveegt omdat het idee van zo in je kousen en schoenen te moeten, je nog meer tegenstaat dan het gevoel met je handen over je grijze, vuile voetzolen te moeten gaan. Maar goed, het ging over de les.

De andere “beginners” bleken zonder uitzondering allemaal jonge, magere, frisse meisjes te zijn, die minstens 5 jaar jonger waren dan ik. De leraar was een streng uitziende danser van het Spartaanse type (maar zo zijn wellicht de meeste professionele dansers), met een onpeilbare, maar toch enigzins verveelde blik. De proefles viel mee omdat ik wou dat ze zou meevallen. Ik had mijn zinnen zo op deze cursus gezet, dat het een uitgemaakte zaak was dat de les zou meevallen. De koude zaal, de nog koudere toiletten waar je onmogelijk op je blote voeten naartoe kon over de donkere, koude, winterse speelplaats, de arrogant kijkende leraar, de vrolijk kirrende meisjes die ik dacht te zien denken “wat doet die ouwe hier?”,… aanwijzingen genoeg om er maar meteen mee te stoppen, nog voor het officieel van start zou gaan. Maar mijn wil om eindelijk eens de onbereikbaar lijkende moderne dans te verkennen, was sterker dan alle signalen die ik kreeg. Ik moest en ik zou moderne dans leren.

En zo geschiedde. De lessenreeks bleek week na week een marteling. Ook al zat het potentieel erin om te genieten van wat ik leerde, het enige wat ik kon voelen, was een torenhoge schaamte. Ik voelde me dik, plomp en oud (25!), stram en niet lenig genoeg. De schaamte was zo immens dat ik dacht dat iedereen ze kon zien, dus concentreerde ik al mijn aandacht op het proberen de schaamte te verbergen, achter een glimlach en heel veel wilskracht om de oefeningen goed te doen. Nu ik er in de focus-sessie op doorging, kreeg ik het beeld van een pak van 5 kranten dat je probeert tot een zo klein mogelijke bol samen te proppen. Van het moment dat je de kracht mindert, zet de prop weer uit. Je hebt dus al je kracht en concentratie nodig om de bol klein te houden. Ik schaamde me voor de schaamde.

Zo gingen de weken voorbij. Totdat de leraar aankondigde dat we een stuk gingen inoefenen voor het optreden. Het angstzweet brak me uit. Op een podium gaan staan om op te treden! Alle doembeelden van mijn optredens met de balletles schoten naar boven. Ook al werd ik bij elk optreden steevast op de achterste rij gezet (want groot en weinig soepel) van het veel te grote podium in de Warande, toch had ik altijd het gevoel dat iedereen in de zaal mijn gestuntel kon zien.

Optreden dus. Ik was ondertussen zo ver gevorderd in mijn schaamte en behoefte aan bevestiging, dat ik mij zelfs verlaagde tot regelrechte mouwvegerij bij de Spartaanse leraar. Toen hij het lied liet horen waarop we zouden dansen, maakte mijn hart een sprongetje toen ik de enige bleek te zijn die het kende. Het was een nummer van Nicholas Lens (Flamma Flamma). Een naam waar de jonge spring-in-t-veldjes nooit van gehoord hadden, maar ik als “oude”, saaie intellectueel wel. Ondanks het besef dat ik er zwaar over ging, won mijn behoefte aan erkenning het, en ging ik na de les naar de leraar om zijn ongeïnteresseerde blik te trotseren met de mededeling dat ik dat een goed nummer vond, net als de andere nummers van Lens. Ik walgde van mezelf, van deze versie van mezelf waartoe ik me verlaagde. Ik wilde zo graag ook eens gezien worden. Want als er al eens een schaars compliment werd gegeven in de les, was dat uiteraard enkel bedoeld voor de frisse meisjes op de eerste rij. Die achteraf gezien eigenlijk ook op hun eigen manier heel erg op zoek waren naar aandacht. Maar dat zag ik toen zo niet. Zij konden gewoon goed en soepel “modern” dansen, ik niet.

Ik dacht nog dat ik ging meedoen met het optreden, ondanks mijn diepe angst om totaal af te gaan op het podium. Totdat de vrouw van de onaangename organisator van de lessen, onze maten kwam opnemen. Zij zou de maillots gaan naaien voor het optreden. Na het nodige gekir en gedraai en de vrouw die bezadigd met haar lintmeter alle tailles, heupen en omtrekken mat, bleek er in het kolommetje “maat 42” slechts 1 naam te staan: die van mij. Alle andere meisjes kwamen maximaal tot aan 40, met de meeste in de kolommetjes waarboven “36” of “38” prijkte. Dat was de druppel. Ondanks het gesus van de vrouw dat dat toch niet erg was, gooide ik de handdoek in de ring. Dit zou in mijn ogen de ultieme vernedering zijn: als oude, plompe, stramme ”vrouw” in een maatje 42 moeten optreden op de achterste rij met vooraan enkel frisse en magere jongere modelletjes. Die beker zou ik aan mij voorbij laten gaan. En dus heb ik niet meegedaan. Ik ben ook niet gaan kijken.

Na deze ervaring heb ik jarenlang alle danslessen met pasjes vermeden. Ik danste enkel nog op mezelf, helemaal zoals ik het zelf wilde en voelde. Jaren later overhaalde A, de vriendin die ik in Parijs had leren kennen, me om een cursus Afro-Braziliaanse les te volgen in Wilrijk. Dat was ook met pasjes, maar de warme levenslust van de leraar en de percussionisten maakte veel goed. De leraar kwam zelfs liefdevol over mijn hamertenen aaien om ze tot rust te brengen en me te ontspannen. Eén van de percussionisten zat me altijd zo breed lachend aan te kijken en aan te moedigen, dat ik mijn schaamte liet varen en volop genoot van deze dansvorm. De meeste communicatie verliep trouwens non-verbaal, aangezien zij geen Nederlands, en wij geen Portugees spraken. Toen ook hier het optreden eraan kwam, heb ik weken getwijfeld. Alle angst en onzekerheid kwamen terug naar boven. Maar uiteindelijk heb ik het gedaan. Op de eerste rij nog wel. Ik ging kapot van de zenuwen, en ik schaamde me, maar tegelijkertijd heb ik genoten van elke minuut op het podium, van de live percussie door mijn fan en zijn compagnon en van het publiek dat enthousiast meedanste. Het Afro-Braziliaanse dansfeest in Antwerpen stond dan ook heel ver af van de stijve, Spartaanse moderne dans van de koude turnzaal in Heverlee.

Sindsdien houd ik het – veel te weinig wel – bij vrije vormen van dans, zonder pasjes, zonder figuurtjes, gewoon je ritme volgen.

Ik voel nu terug hoe ik het dansen gemist heb, en hoe dit mijn manier is om me te verbinden met de stroom van het leven. Niet in het strakke keurslijf van een maillot, maar in de vrije vorm die alle ruimte inneemt die ze nodig heeft.

x

Overgave

Overgeven is niet mijn sterkste kant. Niet in de betekenis van de touwtjes loslaten, maar vooral niet in de betekenis van de handeling die je moet doen als je misselijk bent. De dag dat dit voor het laatst gebeurde, in de tweede betekenis, is 20 jaar geleden. Het was 31 maart 1995. De persoon die mij daar toen bij geholpen heeft, heette Tom.

Ik neem u graag nog eens mee naar Parijs. Naar het huis met Belgische en Luxemburgse studenten waar ik toen woonde. In de loop van de maanden dat ik er verbleef, ontstonden er vele vriendschappen. Ik leerde er A kennen, die nu, 20 jaar later, nog altijd een goede vriendin is. Het klikte meteen. Ik wist bij onze eerste ontmoeting dat dit een blijver zou zijn. Het voelde onbegrijpelijk dat we mekaar nog niet eerder hadden leren kennen. Het leek bedoeld dat wij in mekaars leven zouden komen. En dat zijn we nog steeds.

Beide op dat moment aan het bekomen van een stukgelopen relatie op het thuisfront, zochten we mekaar vaak op, gezellig op de kamer, of samen wandelend door de straten van Parijs. Op zoek naar schoonheid, troost en warmte, en dé trouwjurk waarin we ooit zouden trouwen, moest de ware toch ons pad (opnieuw) kruisen.

A introduceerde me ook bij het vriendengroepje waar zij mee optrok in het huis. Tom was één van die vrienden. Hij was een grote, roodharige, ietwat onbehouwen, uit West-Vlaamse klei opgetrokken rechtenstudent. Tom was vurig, gepassioneerd, koppig, eigengereid en idealistisch, één brok energie. Hij stapte niet door de gang, hij banjerde erdoor (Banjeren is een woord dat ik nooit gebruik, enkel bij Tom vind ik het perfect passen). Hij zag er wat ruw uit, met een gezicht dat met grote halen uit een blok gebeiteld leek. Tom was geweldig om mee op te trekken: hij was slim, gevat en snel, altijd alert en klaar om te discussiëren. Never a dull moment als hij in de buurt was.

Op een avond zaten we met een 10-tal mensen op de kamer van Tom, te praten en iets te drinken. Het ging er gezellig aan toe. Opeens zei Tom “Mannen, ik moet iets zeggen… Ik ben strontverliefd, op iemand uit het huis. En jullie mogen raden wie.” De stemming werd op slag uitgelaten. Dit vonden we leuk: we woonden met honderden in het huis, dus de zoektocht beloofde leuk te worden. De vragen werden op Tom afgevuurd, hij antwoordde enkel met ja of nee. Ik had ook meteen een paar kandidaten in mijn hoofd, maar die bleken het niet te zijn. Toen plots duidelijk werd dat het zoekbereik vernauwd werd van het huis, naar het groepje dat in de kamer zat, werd de sfeer iets gedrukter. Het werd serieus nu.

“Heeft ze een rood bloesje aan en zit ze op je bed?” vroeg iemand. “Ja”, antwoordde Tom. Ik sloeg mijn blik naar beneden om te zien wat ik eigenlijk al wist: ik had een rood bloesje aan en zat op zijn bed. Ik keek Tom verbouwereerd aan. Dit had ik niet zien aankomen. Zijn ogen glansden, de blik zacht, vragend en een beetje verdrietig tegelijk. “Meiske, ik ben zot van u, strontverliefd, tot over mijn oren… maar ik weet dat het niet wederzijds is”. Alles in mijn lichaam leek naar mijn voeten te zakken. Het was stil in de kamer. Niemand bewoog. De blikken gingen van Tom naar mij. Ik voelde hoe ik zo graag zou antwoorden “maar nee Tom, je vergist je, het is wél wederzijds”. Ik wilde niemand pijn doen. In de milliseconden die voorbijgingen, zocht ik razendsnel in mezelf, maar kon geen sprankeltje verliefdheid vinden. Hij had gelijk, het was niet wederzijds, niet op die manier. Ik vond Tom geweldig, maar hij was diametraal tegenovergesteld aan het type jongen waar ik op viel. Bovendien lag mijn hart nog bij iemand anders, op het thuisfront. Ik voelde spijt en zelfs een steek van jaloezie naar de vrouw die later met hem haar leven zou delen. Zij zou altijd een trouwe, stoere krijger aan haar zijde hebben, die voor haar door het vuur zou gaan. Maar ik zou dat niet zijn.

Het mooie was dat zijn verliefdheid onze vriendschap niet in de weg stond. We bleven optrekken en plezier hebben. Hij was voor even mijn stoere krijger-vriend die het voor me opnam als het nodig was. Hij toonde zich een trouwe en loyale vriend, bij wie ik me veilig voelde.

De weken gingen voorbij en het einde van mijn periode in Parijs kwam in zicht. Op 1 april zou ik terug naar huis gaan. Het plan was om als afscheid de laatste avond met wat mensen iets te drinken op de kamer van Tom. Mijn kamer was leeg en opgeruimd, en met enkel mijn pakken en zakken, was de ziel er al uit.

Op die laatste dag werd ik ziek. Ik had koorts en was misselijk. Het feestje op de kamer van Tom ging door, maar zonder mij. En terwijl ik ziek in mijn bed lag, kwam Tom langs. Hij kwam op mijn bed zitten, niet bang voor virussen. Een stoere krijger, ik zei het al. Hij was lief en bezorgd. Ik voelde dat overgeven zou kunnen helpen om de misselijkheid te verlichten, maar mijn weerstand was reuzegroot. Tom gaf alle tips die hij door zijn jarenlange ervaring van stevig uitgaan en goed ziek zijn vergaard had. Hij bleef me aanmoedigen en bood zelfs aan om bij mij te blijven als ik het zou proberen. Zover wilde ik niet gaan, dus ging hij terug naar zijn kamer. Hij heeft me die avond nog een paar keer gebeld (gsm’s bestonden toen nog niet, maar elke kamer had een telefoon waarmee je naar mekaar kon bellen). Gesteund door zijn vertrouwen, is het mij die avond toch gelukt. En dat was meteen de allerlaatste keer, die door de speciale omstandigheden in mijn geheugen gegrift staat.

De dag nadien stonden mijn ouders aan de deur om me te komen halen. Het was stil in het huis. Tom stond in de trappenhal, klaar om afscheid te nemen. De blik in zijn ogen was zacht maar vastberaden, klaar om dit af te sluiten. We omhelsden mekaar lang en stevig. Mijn ouders wurmden zich met lichtjes gegeneerde blik langs ons heen met mijn laatste dozen en zakken.

“Hou je goed meisje”. “We zien mekaar nog”, hoorde ik me zeggen. Maar sinds die eerste april 1995 heb ik Tom nooit meer gehoord of gezien. Hij woont en werkt in het buitenland en is quasi onvindbaar in cyberspace. Ik kan het hem dus niet schrijven. Hoe dankbaar ik ben, nog steeds, voor zijn loyale vriendschap toen. Ik had nog nooit échte mannenvriendschappen gekend tot dan toe. Jongens waren ofwel een broer, een scoutsmaatje (wat ongeveer hetzelfde was als een broer) of een (ex)lief. Een jongen als vriend had ik nog nooit gehad. Tom was de eerste. En die zal ik nooit vergeten.

x

De blik

“Ik wens je toe dat je jezelf zou kunnen zien met de blik waarmee anderen je zien.” Dit wensten 3 mensen, los van mekaar, me op enkele weken tijd toe. “Je zou verbaasd staan”, zei iemand. “Ik zou het niet geloven”, antwoordde ik.

Al heel mijn leven voel ik me onzichtbaar. Terwijl ik als kind en jongere rondliep met een enorme behoefte om gezien te worden, voelde ik me tegelijkertijd onzichtbaar, als lucht. Ik betrap er mij nog op. Zeker in een groep. Of als ik mij heel erg instel op een persoon bij wie ik ben en dan een glimp opvang van ons spiegelbeeld in een raam of spiegel. Meestal verrast het mij om mezelf te zien. Alsof ik verwachtte in het gespiegelde beeld enkel een leegte te zien naast die andere persoon.

Heel lang had ik geen idee van wie ik was, of wat mijn waarde was. Ik kwam erachter dat ik al heel mijn leven rondloop met de diepgewortelde overtuiging geen bestaansrecht te hebben. Hoe ik het gevoel had per ongeluk aan boord van het leven terecht te zijn gekomen, als een verstekeling. En dan zorg je maar beter dat je onzichtbaar bent. Tot iemand je ziet…

Voor een overrompelend moment van onverwacht gezien worden, neem ik u graag mee naar Parijs, begin jaren 90. Ik verbleef 7 maanden in die stad, om een stage te doen voor mijn opleiding. Parijs is de stad bij uitstek voor anoniemen en onzichtbaren. Op straat kijkt niemand je aan. Ook garçons, winkelbediendes of mensen aan het loket gunnen je geen blik waardig. De enigen die je soms aankijken, maar dan enkel tersluiks, zijn bedelaars. Een prachtige, onbarmhartige stad. Mensen zitten en lopen naast mekaar, elk in hun eigen gedachtentunnel, met de blik op oneindig. Contact niet gewenst. Het paste perfect bij hoe ik me toen voelde.

Ik woonde in het “Maison des Belges”: zoals de naam al suggereert, een huis voor Belgische (en Luxemburgse) studenten. Tussen de honderden bewoners liepen uiteraard een paar opvallende figuren rond. Zo had je een Mozart-achtige Luxemburger die een virtuoze muzikant zou zijn (zo vertelde men toch) en die net als de meeste andere van zijn landgenoten in een blitse sportkar rondreed. De Luxemburgers waren niet sterk vertegenwoordigd, maar opvallend waren ze wel. Dan had je nog enkele ambitieuze architectuurstudenten uit Antwerpen, een bosje vrolijk feestende rechtenstudenten uit Leuven, wat eigenzinnige Walen,… Er was ook een kleine psychologiestudente die altijd met een onverschillige blik rondliep en om de haverklap een andere vriend had. Altijd andere, maar wel altijd zwart. Voor haar geen blanke jongens, zo verkondigde ze telkens aan iedereen die het al dan niet wilde horen. Kortom, een boeiende mengelmoes van mensen. En ik woonde daartussen. Ik voelde mij vooral heel gewoon, en heel grijs.

Een andere figuur die opviel, was Pierre. Hij was een waanzinnig knappe kerel die zo uit een reclamecampagne geplukt leek. Hij viel niet alleen op door zijn looks en zijn air van onaantastbaarheid. Hij hulde zich zonder uitzondering in een mysterieus stilzwijgen én in een wolk van parfum. Hij liep altijd alleen, nooit zag je hem met iemand praten. Je zag of hoorde hem niet aankomen, maar rook het wel wanneer hij gepasseerd was. Soms leek het wel of hij niets anders deed dan in de trappenhal rondstappen, want daar hing de geur van zijn parfum opvallend vaak. Hij sprak met niemand, zei niemand goeiedag. Pierre had door zijn houding de status van een half-god bereikt. In de top tien van onbereikbare jongens stond hij op 3, net na Johnny Depp en Brad Pitt. Pierre dus.

Op een avond ging ik met enkele huisgenoten naar een fuif in één van de andere huizen op de campus. Zowat elk land had er een huis. Geen idee meer in welk huis het was, maar bij het binnenkomen van de zaal, had ik er eigenlijk al geen zin meer in. Er was veel volk, het was er warm en druk. Zoals zo vaak zette ik me aan de kant en keek rond. Ik zat helemaal in mijn rol van toeschouwer en voelde me volledig onzichtbaar. Dat stoorde me niet, want zo had ik de illusie dat niemand me zag.

“Bonsoir”. Plots, vanuit het niets, stond Pierre voor mijn neus. En dat bedoel ik letterlijk. Hij stond zo dicht voor mij, dat onze neuzen mekaar bijna raakten. Ik schrok en schuifelde wat achteruit. Veel plaats had ik niet, want ik had de hele tijd al bijna tegen de muur gestaan. Hij schoof mee op en keek me recht in de ogen. Hij vroeg hoe ik heette. Ik schuifelde nog wat verder, maar mijn hielen stonden al tegen de muur. Ik voelde mijn benen trillen. Wat deed Pierre hier? En waarom begon hij tegen mij te praten? Ik keek rond, maar zag niemand bekend. Plots hief hij zijn armen op en plantte zijn beide handpalmen tegen de muur, aan weerszijden van mijn gezicht. Alles in mijn lichaam brulde “alarm!”. Nu nog kan ik de beweging voelen die dat moment opkwam in mijn lichaam: bukken, onder zijn arm doorglippen en kei-hard weglopen. Maar ik bleef staan. Stokstijf, maar bevend van kop tot teen. Het zweet liep van me af. Ik drukte mezelf nog wat meer tegen de muur. Ik prevelde stilletjes of hij niet een beetje achteruit kon gaan. Hij beantwoordde mijn veel te stille en eerlijke vraag met een grijns en een wedervraag: “Waarom? Vind je het niet fijn?” Te stil, te braaf. Of misschien net niet. Want terwijl alles in mij schreeuwde om mij uit de voeten te maken, was er ook een stuk van mij dat dit geweldig vond. Dé knappe Pierre stond voor mijn neus, in mijn ogen te kijken en leek interesse te tonen in wie ik was…

De pijn van het niet voor mezelf opkomen, schrijnt nog als ik eraan denk. De schaamte ook, dat ik zo gemakkelijk over mijn grenzen liet gaan. De mogelijkheid dat ik ook een stem had die evenveel waard was als die van de andere, was iets dat in die levensfase niet in mij opkwam. Ik stelde niets voor, had geen bestaansrecht, dus mocht al blij zijn als iemand mij eens aandacht gaf. Ook als dat op zo’n – achteraf gezien – grensoverschrijdende manier was. Eraan terugdenken geeft me een verdrietig gevoel. Zo alleen, zo zoekend, …

Als kind was één van mijn favoriete onderwerpen om mee in slaap te vallen, fantaseren over mijn begrafenis. Ik had geen idee wat ik voorstelde en of er wel iemand van me hield. Ik beeldde me in dat ik (pijnloos) zou sterven, en keek dan toe hoe het er op mijn begrafenis aan toe zou gaan. Wie zou er zijn, wie zou wenen, wat zouden ze over mij zeggen… allemaal om maar te weten komen wat ik nu eigenlijk voorstelde. Het stelde me ergens gerust, want ik had nog nooit gehoord van een begrafenis waar niemand weende, dus nam ik aan dat er ook op mijn begrafenis toch een paar tranen zouden vloeien. Het is een uitermate genante herinnering, maar het tekent voor mij mijn verlangen naar “feedback” van de buitenwereld over hoe ik ben.

Een andere manier om iets over mezelf te weten te komen, was om mijn kamer binnen te stappen en rond te kijken met de ogen van iemand anders. Dat deed ik geregeld. Ik kwam dan als “vreemde” binnen en nam de kamer met een onderzoekende blik op. Hoe netjes of rommelig was het? Welke posters hingen er? Hoe gezellig zag het eruit? Alsof ik zo iets meer te weten zou komen over wie ik was…

De blik waarmee ik naar mezelf kijk, is meestal streng, en soms ronduit vernietigend. Niets, geen spaander blijft dan heel. Vroeger gebeurde dit onbewust, ondertussen besef ik meestal, maar vaak pas achteraf, dat ik dit doe, en dit maakt me triest. Hoe oud moet ik nog worden vooraleer ik met een mildere blik naar mezelf zal kijken? De milde blik waarmee ik naar de mensen in mijn omgeving kan kijken. Wanneer zal ik die op mezelf kunnen richten? Wanneer vind ik het mezelf waard om me met mededogen te bekijken? En tegelijk wil ik geen mededogen. Ik wil absolute perfectie…

Het maakt me niet alleen triest. Soms maakt het me ronduit woest. Dan loop ik briesend rond. Maar de stoom die uit mijn oren zou moeten komen, slaat naar binnen. Niemand die het ziet. Zoveel ingehouden boosheid. Ik weet en voel dat dit niet goed is, maar mis de “goedkeuring” van mezelf om dit mogen tonen.

Ik besef, nog maar eens, dat de enige weg naar aanvaarding van mezelf, stoppen met vechten is. Soms denk ik dat ik gestopt ben, maar dan blijkt het achteraf gewoon een adempauze te zijn, omdat ik het even beu was. Tot weer die koppige doorduwer in mezelf opstaat, die blijft geloven dat ik nog kan veranderen. Als ik dit, of als ik dat, dan word ik misschien de mens die ik hoop te zijn. Iemand zonder gebreken, die het waard is om te leven. Alsof perfectie me het visum tot het leven zou geven.

Ik hoop op een dag mezelf in mijn volle glorie te kunnen zien, ontdaan van alle valse ideeën en vervormende gedachten over mezelf. In mijn pure zijn.Ik heb er al glimpen van opgevangen, in uiterst veilige omgevingen zoals een vrouwenweekend of de Liefdesbang cursus. Ik zie het weerspiegeld in de blik van zij die mij graag zien. Nu nog geloven dat dit even echt is als mijn negatieve overtuigingen die me zo kunnen neerhalen.

Mijn wens voor u en mezelf: een milde blik, een warm hart en veel aanvaarding dat je er mag zijn. Puur en helemaal.

x