Ode aan de Antwerpsesteenweg

Als bomen gedachten en gevoelens konden oppikken en als ze konden spreken, dan zouden de bomen langs het fietspad van de Antwerpsesteenweg kunnen getuigen van de angst, de twijfel, het verlangen, de verwachting en de pure vreugde van de fietsers die onder hen doorrijden. Eén na één, dag na dag. Jaar in, jaar uit. Zelf fietste ik zes jaar lang ’s morgens en ’s avonds van en naar de middelbare school. Dertien jaar lang elke zaterdag van en naar de scouts. Een paar jaar lang zo goed als elk weekend om uit te gaan. En na een gat van vijftien jaar, waarin mijn leven zich langs andere wegen afspeelde, tien jaar lang vier dagen per week van en naar het werk. En sinds een kleine drie jaar een paar keer per week, op weg naar een klant of naar dezelfde middelbare school, nu voor een vergadering als lid van de raad van bestuur of een gesprek als vertrouwenspersoon. Elke keer opnieuw diezelfde Antwerpsesteenweg. Met zijn bomen die in de lente op enkele dagen tijd losbarsten in fris groen. Meestal zo ergens in april. Als student werd ik op zondag naar het station gebracht, met bomen die nog twijfelden tussen winter en lente, en op vrijdag reden we de weg in de andere richting onder een bladerdek dat jubelend barstte van frisheid en overvloed. En ik die elk jaar opnieuw toekeek met open mond. Nederig voor de kracht en de onfeilbare timing van de natuur.

Als die bomen konden praten, zouden ze ook getuigen van mijn angsten, twijfels, verlangens, verwachtingen en vreugde. Angst in vele variaties: de ongerustheid als het sneeuwde of ijzelde, de focus op het dunne sneeuwvrije spoor en mijn handen die het stuur omklemden; de spanning voor een examen, een belangrijk gesprek of vergadering; de angst voor mijn leven toen ik achtervolgd werd en de algemene vage schrik van niet goed genoeg te zijn, van niet te voldoen. Mijn twijfels over welke richting ik zou uitgaan met mijn leven, wat best voor mij zou zijn, of die ene vriendin nog steeds mijn vriendin was en of ik ooit de jongen van mijn dromen zou ontmoeten. Verlangens in veel kleuren: het verlangen naar de jongen waar ik mijn zinnen op gezet had, het verlangen naar een God die zou bestaan en ervoor zou zorgen dat alles altijd goed zou gaan, het verlangen naar vrede, geen ruzie en oorlog, en naar rust. Verwachtingen en invullingen op voorhand van de dag die zich nog moest ontvouwen. Vreugde en verliefdheid. De mix van spanning en opwinding als ik naar de scouts fietste. Altijd een beetje bang voor wat zou komen, en tegelijk popelend om het mee te maken. Blijdschap als stuiterende knikkers die door mij heen sprongen. De zin om van de daken te schreeuwen dat het leven prachtig was. Het verlangen naar een warme schouder die mij tegen zich zou aandrukken. En ik die zou fluisteren dat ik bang ben en het allemaal niet weet.

Het zicht is altijd net iets langer dan je blik reikt. De heenweg is de verwachtingsweg, het uitkijken naar de schooldag, de werkdag, het gesprek, de scoutsactiviteit, de afspraak. De terugweg is de verteerweg, het herkauwen en tegen het licht houden van wat ik beleefd, gezien, gehoord, gevoeld en gezegd heb. Opgeslorpt door mijn gedachten en het verwerkingsproces, zie ik op de terugweg minder details en zijn de bomen vager. Er is op die weg meer binnenkant dan buitenkant.

Ik heb nooit kunnen denken dat ik op een dag een ode zou schrijven aan de Antwerpsesteenweg. Een weg die zo banaal en vanzelfsprekend lijkt, en dat jarenlang ook was. Nu ik wat meer jaren op de teller heb, voel ik de onmetelijke waarde van alle omwentelingen die ik op het fietspad van de steenweg gemaakt heb. Zes jaar lang naar school in het gezelschap van een vriendin, met wie ik ’s morgens de verwachtingen en ’s avonds de verwerking deelde. Maar veel vaker nog in mijn eentje. Kijkend naar de groene bladeren in de lente, de knisperende droogte in de zomer, de kleurenpracht in de herfst, de grillige contouren in de winter; de nummerplaten van de auto’s die voorbijzoeven; de reclame op de bushokjes; de achterkant van de fietsers en brommers die me voorbijsteken. Ik kijk, laat me vervullen en tegelijk bruist het onder mijn hersenpan. Menig idee is hier ontsproten. Ontelbare malende gedachten gemaald en minstens zoveel vicieuze cirkels gedraaid. Hier heb ik moed verzameld, mezelf toegesproken, verweten of bedankt, analyses gemaakt en naar de prullenbak verwezen, gevatte antwoorden bedacht die nooit uitgesproken zouden worden, vragen gesteld en conclusies getrokken.

Als deze bomen konden spreken, zouden ze getuigen van de universele menselijkheid van de angsten, twijfels, verlangens, verwachtingen en vreugde van alle fietsers die hier passeren. De blik op de weg, het hoofd in eigen wolken, in- en uitademend, de dag tegemoet.

Advertisements

Voorbij de grens

Eind jaren ‘80 werd het enkel gefluisterd: “Er is een meisje verkracht”. Op een andere manier kwamen we het niet te weten. Het was op dat moment mijn grootste nachtmerrie. Ik bad tot een God waar ik niet echt in geloofde dat het mij nooit zou overkomen. Voor zover ik weet met mijn bewuste brein, is het gelukkig ook nooit gebeurd. Het geweld, de pijn en de onmacht die ik mij erbij voorstelde, deden me gruwelen.

Grensoverschrijdend gedrag – een term die toen nog niet bestond voor acties die er al wel waren – heb ik wel meermaals ervaren. Blijkbaar was de impact ervan groot genoeg om ze weg te duwen uit het bewuste deel van mijn hersenen. Het is pas een twaalftal jaar geleden dat de herinneringen plots begonnen terug te keren. De eerste, en vermoedelijk ook meest impactvolle, keer was bij de scouts. Ik was een jaar of 15. We gingen op wandelweekend met rugzak en tent, om ons voor te bereiden op de trektocht door het Lake District die we die zomer zouden maken. Het maandverband dat we onder de schouderriemen van onze rugzak hadden gestoken, hielp niet veel. ’s Avonds hadden we dan ook overal pijn. ‘Gelukkig’ hadden we een leider die voor kinesist studeerde. Hij stelde voor dat we één voor één naar zijn tent zouden komen voor een massage. Op dat moment in mijn leven kende ik het concept van alarmbellen die afgaan nog niet. En zeker niet bij de scouts, de plaats waar ik mij veilig voelde. Toen het mijn beurt was, ging ik dan ook gewillig op mijn buik liggen op het matje van de leider. Hij schortte mijn T-shirt omhoog ‘om beter te kunnen masseren’. Helemaal op mijn gemak was ik niet, zo met een blote rug, maar ik suste mezelf dat het maar een rug was, en dat dat heel gewoon was voor iemand die kinesitherapie studeerde. De kinesist-in-wording (die zijn diploma gelukkig nooit gehaald heeft) wreef krachtig over mijn rug en schouders. Ik probeerde me te ontspannen. Tot zijn handen afweken naar de zijkant van mijn rug en ik plots bewegingen voelde aan de zijkant van mijn voorkant. Die zachte kant van mezelf waar hij niets te zoeken had. Hoe de bewuste massage afgerond is, weet ik niet meer. Ben ik opgestaan? Ben ik braaf blijven liggen tot hij zei dat het klaar was? Geen idee. Dat is verdwenen in de nevelen van mijn geheugen. Dertig jaar later voel ik enkel nog de beweging van die handen. En mijn ontzetting. Nadien nam ik een andere leider in vertrouwen, een vriend. Ik vertelde hem wat er gebeurd was. Hij ging de leider aanspreken. Niet veel later kwam hij terug, het ongemak was van zijn gezicht af te lezen. En nog meer dan de daad, waren het de woorden die ervoor zorgden dat ik gedurende alle jaren die zouden volgen, hyper-zelfbewust zou zijn van mezelf en van de signalen die ik mogelijk zou kunnen uitzenden. ‘Ja Sofie…. (aarzelend)… hij zegt dat jij dat eigenlijk zelf wil, maar dat je dat nog niet weet.’

Woorden zijn een krachtig wapen. Vergeet dat nooit.

De tweede keer was enkele jaren later, op kot. Eén van mijn kotgenoten had een vriend die al werkte, en die vaak bij ons was. Zelfs al zat zijn lief naast hem, ik merkte meer dan eens zijn schalkse blikken op. Hij plaagde me vaak – met woorden -, maar dat kon ik aan. Na een uitgelaten avond met gezelschapsspellen op de kamer van een kotgenoot, hielp hij me om een stoel terug naar mijn kamer te brengen. Plots, uit het niets, duwde hij me achterover op mijn bed en ging op mij liggen. Met zijn handen duwde hij mijn armen neer, met zijn knieën mijn benen. Hij was een grote, struise man. Ik kon geen kant op. Ik begon te roepen dat hij van mij af moest gaan. Dat ik dit niet wilde. Hij grijnsde. ‘Vind je dit niet leuk misschien?’ Ik bleef roepen, tot hij van me afging en de kamer uit stapte. Totaal ontzet ging ik die avond naar een andere kotgenoot, die een goede vriend was van de man. Ik deed mijn verhaal en – ik had het kunnen weten – hetzelfde scenario speelde zich af. De dag nadien ging ik mijn antwoord halen en zag ik dezelfde uitdrukking van tussen twee vuren zitten als die keer bij de scoutsleider. ‘Tja Sofie, hij zei dat dat maar om te lachen was. En dat jij dat leuk vond.’ Ik kan je verzekeren dat ik nog geen seconde gelachen heb met dit voorval. Het gewicht van de man en het machteloze gevoel geen vin te kunnen verroeren, kan ik zo oproepen. En ook hier nam ik het lichamelijke gevoel én de woorden mee.

Ik borg het verhaal op bij het andere en zweeg. Mijn conclusie was simpel: ik doe iets waar ik mij niet bewust van ben. Ik zend signalen uit die mannen anders oppakken dan dat ik het bedoeld heb.

Het resultaat was, en is, dat ik me uitermate bewust ben van mezelf en mijn lichaam. Nooit zal ik een rok aandoen die te kort is, nooit een halsuitsnijding die te diep gaat. Onlangs nog maakte ik me klaar om naar een feest te gaan. Het was mooi weer en ik had een jurk van vorige lente uit de kast gepakt. Dat ik enkele kilo’s verdikt was, wist ik al. Toen ik naar beneden keek, zag ik een streep. Wat de Engelsen al dan niet subtiel een ‘cleavage’ noemen. De jurk vloog uit en werd ingewisseld voor een variant die hoger sloot. In de eerste plaats voor mezelf. Als ik iets aanheb dat te diep valt of te hoog eindigt, ben ik de hele tijd op mijn ongemak. Niet dus. 

Ik weet welke rokken en jurken naar boven kruipen als ik fiets of auto rijd, en welke ik dus niet aandoe als ik mij moet verplaatsen met een man naast mij. En als het per ongeluk toch gebeurt, ben ik mij er de hele tijd pijnlijk bewust van.

Ik weet dat ik niet te lang in de ogen van mannen mag kijken en niet te veel persoonlijke vragen mag stellen, ook al ben ik benieuwd naar hun verhaal.

Ik weet welke woorden ik beter niet gebruik in conversaties met mannen. Zo zeg ik ‘verstarren’ in plaats van ‘verstijven’, ‘kat’ in plaats van ‘poes’ en ‘voldoeninggevend’ in plaats van ‘bevredigend’.

Zo ver gaat het.

Alles wel beschouwd is dat toch niet erg, zou je kunnen opwerpen. Een beetje zelfbewust zijn, kan toch geen kwaad? En toch, het bepaalt mijn handelen, mijn denken en mijn spreken.

Ik zie veel mensen graag, mannen en vrouwen. Het verschil zit in de manier waarop ik het uit. Vriendinnen knuffel ik vol overgave. Dan staan we lijf aan lijf en voelen we elkaar van de knieën tot de schouders. Als ik tegenover een vrouw zit, houdt niets mij tegen om haar in de ogen te kijken, mij te laten ontroeren, haar hand vast te pakken en te zeggen dat ik haar graag zie. Bij vrienden is dat anders. Een knuffel gebeurt bewuster, met een subtiele luchtlaag van enkele millimeters tussen onze lichamen. Ik zal nooit de hand van een vriend vastpakken bij een gesprek, of zeggen dat ik hem graag zie (ook al is dat wel zo). Bij een man blijft mijn radar aanstaan. Altijd.

De oplossing om grensoverschrijdend gedrag de wereld uit te helpen, is simpel – als concept. Als elke mens respect opbrengt voor zichzelf en verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar eigen noden, behoeften en ontwikkeling, dan zullen mensen elkaar niet meer gebruiken. Als je nood hebt aan een lief woord, aandacht, een knuffel of een aanraking, probeer dan te bekijken hoe je die nood kan vervullen, zonder over de grens van een andere persoon te gaan.

Hoe ik zelf omging met een grote nood aan warmte en omarming, lees je in mijn blogtekst ‘De hunkering‘. Van die avond zijn enkel mooie herinneringen gebleven, bij mij en bij de jongen in kwestie. Toen ik ons verhaal enkele jaren geleden op mijn blog wilde zetten, zocht ik eerst contact met de jongen. Op kousenvoeten stuurde ik hem een bericht om te vragen of hij zich die avond nog herinnerde, en of hij het oké vond dat ik de tekst publiceerde. Ook al was zijn naam geanonimiseerd, toch wilde ik hem toestemming vragen. Het was tenslotte een gedeelde ervaring. We wisselden enkele e-mails uit die me verwarmden en sterkten in mijn overtuiging dat het aan elk van ons is om verantwoordelijkheid te nemen voor onze eigen gedachten, woorden en daden.

In de praktijk is deze simpele oplossing heel wat minder eenvoudig. Want wat gebeurt er met slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag? Ze zoeken de oorzaak bij zichzelf en besluiten dat ze niet goed genoeg zijn, dat het gebeurd is omdat ze slecht zijn of niets voorstellen. Per definitie is het dus moeilijk voor slachtoffers om hun eigen persoonlijke ontwikkeling in handen te nemen, want het is verloren moeite. Waarom tijd, energie of geld steken in jezelf als je het toch niet waard bent? En zo worden slachtoffers heel vaak daders. Ze vinden dat ze recht hebben op aandacht, liefde of fysiek contact. Ze verhuizen van de ene kant naar de andere, en gaan opeisen wat ze zelf ooit onder dwang hebben moeten geven. Te beseffen dat dit mechanisme speelt, stemt me weinig hoopvol.

En toch blijf ik geloven. Dat we als ouders kunnen blijven het goede voorbeeld geven, door onszelf, onze kinderen, onze partner en de andere mensen in ons leven met respect te behandelen. Door in alle omstandigheden de lichamelijke integriteit van de andere te respecteren. Ook al ben je boos, moe, hongerig of eenzaam. Door in te zien dat niets ons toe komt, dat er niets is waar we recht op zouden hebben. Door onze kinderen te leren dat geen enkele mens gelijk is. Dat ieder uniek is. En dat je dat enkel kan zien als je fysiek, mentaal en emotioneel bij jezelf blijft en met een open blik te ander tegemoet treedt. Dan is er plaats voor een ware ontmoeting. Van mens tot mens, binnen de grenzen die elk voor zich heeft.

Verlangen

Het was stil. Een achttal paar vrouwenogen keek me liefdevol, mild en afwachtend aan. Vijf woorden zaten klaar in mijn mondholte. Ik proefde hun waarachtigheid. Maar uitspreken ging niet. De vijf woorden draaiden cirkels en streelden de binnenkant van mijn wangen.

Ik keek de vrouwen aan. Mijn hart bonkte. Alsof het er ook uit wilde, samen met de woorden. De vraag die ik wilde beantwoorden, zinderde nog na in de warme ruimte, die we voor het weekend omgedoopt hadden tot ‘onze baarmoeder’. Geen plek ter wereld waar ik op dat moment veiliger was. Maar mijn antwoord op de vraag ‘wat is jouw droom, jouw diepste verlangen’ durfde zich niet tonen. De poortwachter van mijn systeem had zich persoonlijk ontfermd over de spieren van mijn lippen, overtuigd dat mijn antwoord op die vraag bespottelijk was. Hij wilde me beschermen, zoveel was zeker. Behoeden voor het hoongelach dat geheid zou volgen als ik mijn diepste verlangen zou uitspreken.

De vrouwen bleven geduldig wachten en glimlachten rustig. Na iets dat leek als uren, maar dat ongetwijfeld minuten waren, stamelde ik dat ik het niet gezegd kreeg. Dat ik niet durfde. Mijn bewustzijn vernauwde zich tot de koker die mijn luchtpijp en mondholte was. De woorden zwollen aan. Ik slikte. Ik kreeg het gevoel te stikken.

Wat er daarna gebeurd is, weet ik niet meer precies. Het zit in een waas. Ik denk dat één van de vrouwen me zacht over mijn rug gewreven heeft. Als een vroedvrouw die geduldig naast mij zat. Tot opeens mijn mond openging, en de vijf woorden ontsnapten. De wereld in.

‘Ik wil een boek schrijven’.

Zo simpel als dat.

Bevrijding en angst dansten een tango. Schaamte huppelde erachteraan. Ik zette me schrap voor de golf van spot die zou volgen. Niet in woorden, dan toch in blikken. De blik van spot die ik jaren tevoren van iemand gekregen had, toen ik datzelfde verlangen geuit had. De blik die zei ‘Trek maar een nummertje en zet je achteraan in de rij. Wie wil er nu geen boek schrijven?’

Ik keek rond in de cirkel. Het enige wat ik zag, waren blikken van ontroering, liefde en warmte. Geen greintje spot of twijfel. De vrouwen keken me aan, vol vertrouwen. Ze dankten me.

Ik slikte. Het was gezegd. Nu was het echt. Ik wilde een boek schrijven.

Dit was acht jaar geleden. Binnenkort is mijn eerste boek er. ‘Mona’ vertelt het verhaal dat jaren in mij leefde en zo graag verteld wilde worden. Het is neergeschreven. Binnen enkele weken worden de woorden gedrukt en zal mijn naam op de kaft staan. Dan kan ik zeggen ‘ik heb een boek geschreven’.

De ‘ik’ is zoveel meer dan mezelf. Het boek had ik nooit kunnen schrijven zonder de vele blikken en blijken van vertrouwen en geloof. De dankbaarheid die ik daarbij voel, kan ik moeilijk onder woorden brengen. Aaneengeregen letters schieten schromelijk tekort om het gevoel van dankbaarheid te beschrijven dat zoveel groter is dan mijn lichaam kan bevatten. Het is een gloed, een uitbarsting van het langdurige type dat me nederig doet buigen. Voor iets dat veel groter is dan onszelf.

X

Over blokfluiten en eigenwaarde

Ik heb tien jaar blokfluit gespeeld. Niet omdat ik het een mooi instrument vond, of hield van de klank – integendeel, ik vond het oubollig en suf klinken – maar omwille van ‘het sociale’. Zo drukte ik dat toen uit. ‘Het sociale’, dat waren mijn vriendinnen en de andere klasgenoten in de muziekschool. Opgegroeid in de jaren ’70 en ’80 was alles beter dan thuis zitten, waar per definitie heel weinig te beleven viel. En dus werd de muziekschool één van plekken waar ik naartoe trok voor sociale contacten, milde deugnieterij en het gevoel ergens bij te horen. De andere plekken waar ik dat vond, waren de school en de scouts. Balletles volgde ik ook. Daar was ik niet zo op mijn gemak. Echte vriendinnen had ik er niet en de sfeer was er eerder één van concurrentie (ik krijg mijn been hoger in de lucht dan jij, ik kan de grand écart dieper dan jij, ik mag op de eerste rij staan en jij niet, ik krijg meer complimentjes van de juf dan jij,…) dan van vriendschappelijkheid. Ik bleef moedig volharden, ondanks een totaal gebrek aan lenigheid of andere noodzakelijke voorwaarden voor een prima ballerina. Die volharding werd gevoed door het doembeeld van het ‘steekgat’ van mijn grootmoeder dat mijn moeder zo plastisch had aangehaald als reden waarom ik op balletles moest. Als ik balletloos door het leven zou gaan, zou ik ook een ‘steekgat’ krijgen. Een holle rug dus. De logica van de drijfveer ontging me wel toen ik zag en voelde hoe hol ik mijn rug soms moest trekken om de oefeningen te kunnen doen. Maar goed, eens begonnen aan iets, moesten we volhouden. En liefst zo lang mogelijk. Wat ik dus deed.

Terug naar de blokfluit. Daar wilde ik iets over vertellen. Na jaren oefenen was ik min of meer gewoon aan het instrument. Ik kon de noten ook vlot lezen (enkel de solsleutel weliswaar) en groeide door tot in de samenspelklas. Dat betekende spelen op vier soorten blokfluit: van een gewone (sopraan)fluit tot de immense basfluit, waarvoor je lange vingers moest hebben (check) en de fasleutel moest kunnen lezen (niet check). Dat laatste werd opgelost door de leerkracht die onder de notenbalk voor mij de noten omzette in de solsleutel. Tot hier de schets van de tijd en de omgeving: jaren ’80, muziekschool, blokfluitsamenspel, vriendinnen, gemoedelijkheid. Als ik eraan terugdenk, is dat in een wolk van warme herinneringen. De enige dissonant waren de optredens die we jaarlijks gaven. Die vond ik een ware nachtmerrie. Mijn handen waren dan zo nat van het angstzweet en trilden zo, dat ik mijn vingers maar moeilijk op de gaatjes van de blokfluit gelegd kreeg. Ik had het gevoel niet genoeg lucht te hebben, de spots waren te warm, de zaal te donker en te vol. Het enige dat ik voelde was de torenhoge verwachting van perfectie. Het feit dat de immer rustige leerkrachten ook gespannen rondliepen, bevestigde dit: Er mocht niets misgaan. De haren en kleren moesten goed zitten en de muziek moest foutloos gespeeld worden. Voor minder zouden we niet gaan.

Er was één groot probleem: ik was ervan overtuigd dat het – voor mij – onmogelijk was om een lied foutloos te spelen. Dat bestond simpelweg niet. Tijdens de gewone lessen stoorde dat niet zo. Ik speelde voldoende foutjes om mijn overtuiging te voeden, zonder dat er een haan naar kraaide. Ik had mezelf geïdentificeerd met de positie waarin ik mezelf gezet had: ik zat erbij voor ‘het sociale’ en had wel gevoel voor muziek, maar een echte muzikant was ik niet. Niemand die dat erg vond. Tot het moment van het optreden. Dan begon mijn zelfopgelegde positie me parten te spelen. In de setting van het podium, de spots, de feestelijke kledij en de volle zaal die verwachtingvol zweeg, was mijn overtuiging dat ik niet foutloos kon spelen meer dan een hindernis. Het botste frontaal met mijn aanleg voor het willen voldoen aan de verwachtingen – op dat moment de verwachting van een perfect optreden. Bij elk lied dat we inzetten, zat ik zwetend te wachten op de fout. Waar en wanneer zou die vallen? Meteen in het begin, in het midden of net op het einde? In mijn herinnering situeerde de fout zich minstens in de helft van de gevallen in het eerste deel van het stuk. Bij voorkeur in een deel waar iedereen voluit ging en mijn fout niet te hard opviel. Het vreemde was dat ik mij na het spelen van de fout wél kon ontspannen. Dan viel er een gewicht van mijn schouders (oef, de fout is gespeeld en mijn zelfbeeld bevestigd) en kon ik ontspannen de rest van het lied – meestal foutloos – verder fluiten. Andersom steeg de spanning om de fout als die maar niet kwam. Als ik voorbij de helft van het stuk nog geen fout gespeeld had, zorgde ik ervoor dat die kwam. Door me plots haarscherp bewust te zijn van het feit dat ik het stuk tot dan toe foutloos gespeeld had. Zo’n beetje als wanneer je in slaap aan het vallen bent en plots kei-hard beseft dat je in slaap aan het vallen bent. Resultaat: wakker en dag slaap! Zo zag ik mezelf dan plots zwierig en foutloos fluiten om vervolgens te verkrampen en een fout te spelen.

Vindt u dit gek? Of herkent u het? Toen vond ik het zo normaal dat ik er niet over nadacht. Het was een deel van mij, dat ik de logica zelve vond. Terugkijkend vind ik het nog steeds niet zo vreemd. Ik merk dat het nog speelt in mijn leven. En sinds kort weet ik dat ik daar niet alleen mee ben. Sterker nog, dat zowat alle mensen dit mechanisme hebben. Niet per se met een muziekinstrument, maar in het leven. Als alles goed gaat in je leven, op alle fronten, dan hebben veel mensen (onbewust) de neiging om op zijn minst op één van de fronten iets te laten misgaan. Dan komen ze in een scheiding, een depressie of een burn-out terecht, verliezen ze hun job, beginnen te gokken, gaan vreemd of doen andere dingen om de stroom van goed geluk op z’n minst ergens te onderbreken. Ik verzin dit niet. Ik las het in het boek ‘The big leap’ en herkende het. Om harmonie en geluk aan te kunnen op alle gebieden van je leven, heb je een paar overtuigingen nodig. Zoals de (onbewuste) overtuiging dat je het waard bent.

In het blokfluitvoorbeeld: ik was zo doordrongen van het feit dat ik geen muzikant ben en bijgevolg niet foutloos kan spelen, dat ik niet kon toelaten dat er een andere realiteit zou zijn. Die van foutloos in een muzikale flow geraken. Dat kon en mocht niet. Ik hield de controle en zou het laten misgaan als het niet vanzelf fout ging.

Ik zie dit patroon terugkeren in mijn leven. Op momenten dat alles in elkaar lijkt te passen als in een puzzel, dat alles lijkt te stromen in harmonie, steek ik zelf (minstens) één stok in de wielen. Het kan niet dat alles vanzelf gaat. Want… ik ben het niet waard.

Hoe ouder ik word, hoe scherper het beeld zich stelt: ik ben de enige die mijn overtuiging kan omkeren. Niemand anders kan dat doen. In het hypothetische geval dat alle zeven miljard aardbewoners zouden zeggen ‘Sofie, je bent het waard’, dan nog zou ik het niet geloven zolang ik het niet zelf geloof.

En met het beeld dat scherper wordt, groeit soms ook de radeloosheid. Hoe doe je dat in godsnaam, zo’n onbewuste overtuiging omkeren? Of op zijn minst niet altijd geloven? Ik ken veel trucjes, van affirmaties tot het omkeren van je gedachten. Maar het probleem blijft dat ik het niet geloof. Ik weet dan wat ik aan het doen ben – een affirmatie zeggen of mijn gedachten omkeren – en waarom ik het doe: om mijn onbewuste overtuiging los te laten. En dat besef alleen al doet mijn onbewuste overtuigingen eens smalend in het vuistje lachen. Ik hoor ze dan grinnikend mompelen dat wie laatst lacht, best lacht, en dat zij dat zullen zijn. Zij zijn er immers al heel mijn leven, en wie zal ooit hun plaats kunnen innemen?

Mijn idee voor een volgende stap ligt te wachten. In de vorm van een boek over meditatie. Ik heb zo het vermoeden dat deze eeuwenoude techniek me wel eens zou kunnen helpen. Nu er nog aan beginnen. En ondertussen vraag ik me af hoe jij omgaat met de saboteurs in je leven. Met de overtuigingen die je een fout doen spelen midden in een muziekstuk. Wat doe jij? Vertel het mij – ik hoor het graag.

Sofie Flora

Vier jaar geleden opende ik mijn blog met een ode aan mijn grootmoeder Flora.

Schrijven deed ik al, maar een schrijver noemde ik mezelf nog niet.

Elke stap in een groeiproces is nodig. Precies op de manier dat het gaat. Het starten van een blog was voor mij de stap die nodig was om mij – Sofie – te tonen, door met de buitenwereld te delen wat er in mijn binnenwereld leefde. Met elk verhaal dat ik schreef en publiceerde, kon ik iets afsluiten en werd er een stukje in mezelf geheeld. Dat proces lijkt nu rond – of toch in de vorm die het hier had.

Vier jaar later kijk ik vervuld van dankbaarheid terug. Dankbaar voor de moed die ik had verzameld, de steun, de warmte en de erkenning die ik voelde in de reacties die ik kreeg en de veilige haven die deze blog bleek te worden, voor mezelf en voor anderen.

Voorlopig zal ik hier niets meer publiceren. Of voorlopig ook definitief wordt, weet ik nog niet. De blog blijft nog even hier, als haven voor wie wil en als verzamelplaats voor de verhalen uit mijn leven die verteld wilden worden.

Elke stap heeft zijn eigen tijd, ruimte en tempo.

Binnenkort zet ik mijn eerste stappen in een schrijfproject dat ik al een tijd met me meedraag. Een project dat aan het rijpen was, of misschien wel gewoon stil lag te wachten, in de voorraadkamer in mezelf. Het nieuwe project werd geboren tijdens een zomerse wandeling met een vriendin, en het deed mijn hart zingen. Vele maanden zijn voorbijgegaan sindsdien. Maanden waarin ik andere prioriteiten te leggen had – maar vandaag deelde ik mijn idee, voor het eerst sinds die zomer, met een gelijkgestemde ziel. Ik zocht in hem een klankbord, en kreeg een spiegel, die me toonde dat het project niet alleen mijn hart doet zingen, maar ook mijn ogen doet stralen.

Elk einde is een nieuw begin – en o, wat broeit het leven daar!

Mijn diepe dank aan elke lezer van mijn blog. Dank voor de mooie manier waarop het onthaald werd. Dank dat ik deze weg kon gaan, met jullie aan de zijlijn.

In warmte en dankbaarheid

Sofie Flora

x

Maatje

Wie ben ik als niemand kijkt? En met wie ben ik als ik alleen ben? Met mezelf als maatje of met mezelf als uitdager? Is het soms goed genoeg, of veel vaker niet?

In november was ik nog eens op vrouwenweekend in Orval. Een weekend vol vervulling, vrouwenkracht en thuiskomen bij jezelf en bij mekaar. Er lagen inspiratiekaarten, ik trok de kaart “praten met jezelf”. Herkenbaar, want de kaart vertelde me dat ik in plaats van zo kritisch voor mezelf te zijn, beter bewust zou proberen om tegen mezelf te spreken als tegen een vriend(in). Dat was duidelijk. In het warme nest met de andere vrouwen leek het me al bij al niet zo’n moeilijke opdracht. Ik was wel een kampioen in meedogenloos zijn voor mezelf, maar ik zou dat varkentje wel wassen. Zo moeilijk kon het toch niet zijn….

Maar zo moeilijk blijkt het wel te zijn. Nu ik professioneel op eigen benen sta, en dus geen baas meer heb, blijk ik in de arena tegenover mezelf te staan. Na de eerste euforische wittebroodsweken als zelfstandige, waarin ik als door een verliefde bril rond me heen keek, bekroop me een benauwend gevoel. Ik bemerkte dat ik nog steeds in alerte staat van paraatheid stond, klaar om te vechten als het moest, maar dat de vijand die uit de coulissen kwam nu een bekend gezicht had: ik stond oog in oog met mezelf.

Geen baas meer betekent geen andere meer waarop je je frustratie kan projecteren en die je de schuld kan geven van het gevoel van stress waar je mee rondloopt. Nu ik baas-loos door het leven ga, besef ik dat de bron van frustratie en stress in mezelf ligt.

Zo lag ik onlangs in bed, wakker, opgedraaid door wriemelende vuisten in mijn binnenste. Een warm bad had niet mogen helpen. Ik was moe, maar bleef maar net onder de oppervlakte, er was geen spoor van wegzinken in een diepe rust. Enkel alertheid en een licht voltage in mijn systeem. Dat gaf me tijd om alles te overschouwen en me af te vragen wat stress eigenlijk is en waar het vandaan komt. Ik kwam op de volgende soorten:

Deadlinestress of afleverstress: je hebt iets beloofd tegen een bepaald moment, en dat moment komt gevaarlijk dichtbij, terwijl dat wat je beloofd had, nog niet in een afgewerkte vorm afgeleverd kan worden. Hier zijn gradaties van nog niets gedaan tot bijna af, maar je perfectionistische zelf kan het nog niet vrijgeven.

Competentiestress: je denkt iets niet te zullen kunnen, de taak of opdracht die je kreeg lijkt wel echt ingewikkeld. Wat als ik het niet kan?

Ontmaskerstress: onze goede vriend het “imposter syndroom”, gelinkt met het vorige punt. Er loopt met jou een ontmasker-maatje mee: je denkt bijna voortdurend, meestal onbewust, dat er een moment zal komen waarop je ontmaskerd zal worden als “fraudeur”. Eigenlijk ben of kan je helemaal niet wat je zegt te zijn of te kunnen. Het komt naar het schijnt vooral voor bij vrouwen, maar ik heb ook al mannelijke lotgenoten ontmoet.

Ontgoochelstress: een subtiele, maar misschien wel de meest destructieve vorm van stress. Je bent bang je klant, collega, baas, of wie dan ook, te ontgoochelen. “Is het dit maar, dat je hebt kunnen doen?” “Ik dacht dat je tot meer in staat was.” “Ik dacht dat je beter was.” Deze vorm komt vooral voor bij mensen die zich altijd hebben proberen aan te passen aan de verwachtingen van (belangrijke) anderen in hun leven. Iemand teleurstellen is uitermate beangstigend en je zal er alles aan doen om dat te vermijden. Je werkt je desnoods uit de naad, maar alles moet wijken om ontgoocheling te vermijden. Alles, dus ook je eigen behoeften.

Verantwoordelijkheidstress: vanaf het moment dat je een taak toebedeeld hebt gekregen of zelf aangenomen, staat er een meester-verantwoordelijke in je op. Alles, maar dan ook alles, van de taak ligt in jouw handen en is jouw verantwoordelijkheid. Een eigenschap die voordelen heeft, maar die toch vooral heel erg weegt. Zeker als je je ook verantwoordelijk voelt voor zaken die buiten je macht of controle liggen.

Ik kwam tot de conclusie dat mijn lijf die avond volledig ingenomen was door de drie laatste stresssoorten: ik voelde me verantwoordelijk voor zaken waar ik niets aan kon doen, ik was bang de klant ontgoocheld te hebben en die imposter, tja, die loopt al heel mijn leven mee.

De voedingsbodem onder al deze bronnen van stress is het gevoel niet goed genoeg te zijn. Wat als je het gevoel zou hebben dat het helemaal ok was zoals je bent? Probeer die gedachte eens binnen te laten: Ik ben helemaal ok. Er hoeft niets veranderd of verbeterd te worden aan wie ik ben. Als ik dat écht probeer binnen te laten, dan voel ik een soort rust binnenkomen. Dan valt er simpelweg veel spanning weg. Niet op tijd klaar voor een opdracht? Is de taak te moeilijk? Is iemand teleurgesteld, had hij of zij meer verwacht? Is het dit maar dat je hebt kunnen doen?…. Het antwoord op die bedenkingen zou dan gewoon “Ja” zijn. En na die ja zou dan een gesprek volgen. Dat er volgende keer wat meer tijd voorzien zou moeten worden, of dat jij misschien niet de geschikte persoon was voor dat werk, dat het jammer is dat je niet aan de verwachtingen hebt kunnen voldoen en dat je naar best vermogen gedaan hebt wat je kon. Zo simpel zou het kunnen zijn. Niet?

En dus ben ik op zoek naar een maatje. Naar het maatje in mezelf. Want andere maatjes mogen zeggen wat ze willen, ik geloof ze niet als de uitdager in mezelf de wacht houdt. Positieve woorden, complimenten of bevestiging, alles gaat door de harde molen van de wachter, en komt er vergruizeld uit. Ik zie de brokken en word oneindig triest. Triest van het ogenschijnlijk nooit eindigende verhaal van zelfafbraak, van het altijd weer terugkerende patroon van nooit goed genoeg en pas kunnen rusten als het perfect is, waardoor je altijd in een onvoltooid heden leeft. Nee, nu nog niet, mijn schild kan ik nog niet afleggen.

En zo eindig ik mijn verhaal waar ik begonnen ben, en waar ik zo vaak eindig: zoekend. Zoekend naar inzicht, naar verbanden en naar logica, maar vooral zoekend naar rust en aanvaarding. Naar het maatje in mezelf. Naar de liefde in en voor mezelf.

De mooiste bonus van dit alles is dat – als elk van ons zichzelf goed genoeg zou vinden – het resultaat ons allen zou overstijgen. Want als je stopt met vechten in jou, stop je ook met vechten buiten jou. Dus vertel mij, met wie ben jij als je alleen bent? Met je uitdager? Of met je maatje?

x

Landen

Ik observeer en ondervind, kijk toe en voel hoe het leven door en rond mij stroomt. Ik voel in mezelf en zie rond mij het snelkookpangevoel dat ons lijkt over te nemen, het bijna voortdurende gevoel van spanning waar velen van ons mee rondlopen, het grote aantal mensen dat zich uitgeput voelt en het razende tempo waaraan mensen zich opbranden. Het houdt me bezig, de observerende verslaggever in mij wilt het begrijpen, een ander deel in mij voelt soms zelf angst om verzwolgen te worden door de groter wordende golven van het leven.

Ik heb een burn-out horen en voelen krassen aan mijn voordeur. Vrienden waarschuwden me voor die ongenode gast. Aan de andere kant stond ik, met mijn rug tegen de deur, en voelde door de kieren een hete adem in mijn nek. Koortsachtig keek ik rond en zocht hulpmiddelen. Met elke nacht van onderbroken slaap en racende gedachten om 4u, groeide mijn angst om het niet te winnen. Tot ik vleugjes rust begon toe te laten in mijn oververhitte brein. Tot ik probeerde om alvast de angst om de angst niet meer te voeden.

Terwijl ik daar stond weerstand te bieden en andere mensen observeerde die ook hun gevecht leverden, of net kopje onder gegaan waren in hun persoonlijke woeste baren, werd mij iets duidelijk. We hebben collectief nood aan landen, afwerken, afsluiten en tot rust komen. Een open deur? Misschien, maar laat me toe er even wat dieper op in te gaan.

In de jaren ’20 van de vorige eeuw benoemde een kiene onderzoeker het fenomeen van “open-taakspanning”. Het is wat de naam zegt: als je een taak te doen hebt, blijft er een zekere mate van spanning aanwezig in je systeem, totdat de taak afgewerkt is. Denk aan een to-dolijstje en hoeveel deugd het doet om iets van dat lijstje te kunnen doorstrepen. Het geeft je een gevoel van controle en een zekere mate van verlichting. Check, afgewerkt, taak gesloten, spanning weg. Toen ik er voor het eerst over hoorde, resoneerde iets in mij met die term. Open-taakspanning, dat kende ik maar al te goed. Een taak afwerken betekende spanning, zeker als je elke taak perfect wilde afwerken.

Het grote probleem is dat wij met z’n allen voortdurend in een geheel van ontelbare open-taakspanningen leven en functioneren (of dus niet). De som van die spanningen is simpelweg teveel voor ons systeem, voor onze weerstand. Dan springt de “plomb” (Noot van de vertaler: “plomb” = zekering). Mensen in een burn-out zeggen misschien niet toevallig dat opeens het licht uitging.

Flashback naar 30 jaar geleden: de laatste pagina van de krant sla je met een kleine zucht om. Je bent weer mee en pas de volgende ochtend zal er zich een nieuw pakketje nieuws aandienen. In de tussentijd kan je luisteren naar het radionieuws om 13u of 18u of kijken naar het avondnieuws. Heb je een vraag voor iemand, dan bel je of ga je langs en je hebt het antwoord. Meer omslachtige vragen of verhalen pen je neer in een brief. Een antwoord daarop kan je ten vroegste een week later verwachten. Relatief simpel en met veel gelegenheden om open taken te sluiten.

Hoe het er nu aan toegaat, hoef ik niet te vertellen. Nieuwtjes, updates en breaking news vliegen rond, vragen worden gesteld of ontvangen via sms of mail en creëren tientallen open taakjes. Na een offline activiteit voel je een nieuwsgierigheid kriebelen. Zou er iets gebeurd zijn in de wereld ondertussen? Heeft iemand me misschien een boeiend of interessant bericht gestuurd? Want dat zijn – voor mij althans – de worteltjes die het hardst aantrekken. Een persoonlijk bericht ontvangen van iemand geeft ons systeem een heerlijk gevoel van voldoening, van gezien zijn. En dat is verslavend.

Mijn hoofd zit vaak vol onbeantwoorde vragen, of spanning over berichten waarop ik een antwoord verwacht. De allerergste zijn die berichten waarin je je kwetsbaar opstelt, iets vraagt of iets doet dat net buiten je comfortzone ligt. Na het drukken op de Verzend-knop wil je eigenlijk onmiddellijk antwoord. In de uren en dagen waarin er geen antwoord komt, begin je aan jezelf te twijfelen, herlees je ontelbare malen je verzonden bericht. Heb ik misschien iets fout gezegd? Was het erover? Te gedurfd? Al die onbeantwoorde berichten, klein en groot, neem je mee.

En dus probeer ik tegenwoordig voor kleine vragen de telefoon te nemen en te bellen. Ook al heb ik een aangeboren weerstand tegen telefoneren, liever dat dan afwachten zonder enig zicht op wanneer je antwoord zal krijgen. Of als je afspreekt met iemand meteen ook plaats en datum vastleggen. Niet enkel de dag en dan een “we zien tegen dan nog wel om hoe laat en waar”. Ook dat zweeft rond.

Ik voel de laatste tijd een onnoemelijk groot verlangen om af te ronden, te landen. Landen betekent ook terug met je voeten op de grond komen. Weg uit je hoofd waar de open taken rondvliegen als vallende sterren. Sterren die de neiging hebben om vooral te vallen tussen 4 en 6 uur ’s morgens.

Wat mij helpt zijn oude beproefde zaken, zoals discipline (mijn mail niet afhalen op mijn telefoon na 18u bijvoorbeeld) of mono-tasking. Het is met veel vallen en opstaan. Zo heb ik telkens wel weer een goede reden om toch nog even mijn mail te bekijken, of toch te proberen twee of meerdere zaken te combineren. Waar ik naar streef, en wat ik graag mee in de wereld wil zetten voor dit jaar, is focus en aandacht. Focus op waar je mee bezig bent. Een blokje tijd reserveren voor het afwerken van mails of andere berichten en nadien dat blokje sluiten. Zoveel mogelijk met aandacht doen. Kijken naar waar je mee bezig bent. En proberen zoveel mogelijk te landen, in het kleine en in het grote.

Ik wens je een mooi en voldoeninggevend 2017 met werk-, speel- en rustplaatsen in de verhouding die jou het best past. Geniet ervan!

Van harte.

x

 

De prijs van zelfontwikkeling

 

Er is iets dat me bezig houdt. In het Engels klinkt het zoveel mooier: Something’s puzzling me… Ik probeer te begrijpen welk deeltje van mijn verontwaardiging “terecht” is, welk deeltje te maken heeft met mezelf, enz…

Het gaat me om het volgende: elke vorm van zelfhulp heeft een kost. Dat een bezoekje aan een therapeut, een workshop of een weekendje rond zelfontwikkeling een prijs heeft, is niet meer dan normaal. Beschouw het als een soort remgeld. De prijs die je ervoor betaalt (letterlijk dan, in geldelijke termen), is normaal gezien net iets boven waar je je comfortabel mee voelt. En dat is, zo men zegt, ook de bedoeling. Het doet je tweemaal, of nog meer maal, nadenken welke begeleiding, opleiding, cursus of workshop je zou volgen, en welke toch maar niet. Tot daar ben ik nog volledig mee.

Voor mezelf doe ik het zo: ik probeer bij elk aanbod dat me op het eerste zicht aanspreekt, goed te voelen of het klopt: heb ik het gevoel dat ik er moet zijn. Dan pas kijk ik naar de prijs. Niet andersom. Het zou al te gek iets te volgen omdat het niet duur is. En andersom probeer ik ook te zorgen dat ik het geld bijeen krijg voor iets waarvan ik echt het gevoel heb dat ik er moet/wil zijn. Dit is altijd vanzelf gegaan. Mijn loon als bediende gebruik ik voor het dagelijks leven en het huishouden, alle extra’s die ik verdien door in bijberoep thesissen na te lezen en studenten te begeleiden, houd ik apart en gebruik ik om boeken te kopen of cursussen te volgen. En gek genoeg, of net niet, is dat altijd supermooi uitgekomen. Zo had ik ooit een student die ik intensief van de thesisdood moest redden, en die mooie som kon ik twee maanden later gebruiken voor een intensieve training. So far so good.

De laatste tijd bots ik echter op dingen die me aantrekken, maar waarvan de kostprijs mij totaal buiten proportie lijkt. Toegegeven, het gaat niet om standaardcursussen, maar wel om zaken die aangeboden worden voor een specifieke doelgroep, in dit geval hoogbegaafden. Zoals wel meer mensen, ben ook ik op zoek naar een invulling van mijn leven en werk die écht bij me past. Of om het in de in die wereld populaire woorden uit te drukken: om mijn missie te vinden, mijn passie in te zetten, mijn talenten te vinden en die te gebruiken om van de wereld een betere plaats te maken. Vergeef me mijn ietwat cynische ondertoon, ik weet dat ik die woorden zelf ook al meer dan eens gebruikt heb, maar op dit moment vermengen ze zich met een bepaalde dosis verontwaardiging die een subtiel, doch niet te ontkennen effect heeft op mijn binnenkant….

Een coachingsessie voor een hoogbegaafde door een hoogbegaafde: 250 euro per uur. Een jaartraject om je missie te vinden als hoogbegaafde: 3000+ euro. Een weekend (!) met een groepje van 12 hoogbegaafden om samen je eigen business op poten te zetten of verder uit te werken: 2500 dollar. Ok, die laatste gaat wel over een weekend in het zuiden van Engeland (vervoer dus nog bij te tellen), begeleid door een Amerikaanse (die dus moet overvliegen), maar komaan, kunnen we even redelijk blijven? Twaalf maal 2500 dollar is een gigantische som. Daar kan je veel transatlantische vluchten mee maken…

Dat deze bedragen gangbaar zijn in de bedrijfswereld, wist ik al langer. Toen ik mijn eerste stappen zette in die wereld, zei iemand me dat ik het moest bekijken als Monopoly geld. No kidding… Zo kan je 5 dagen naar de Westkust van Amerika voor een aantal bedrijfsbezoeken, begeleid door een Vlaamse zelfverklaarde “thought leader” (de combinatie van die twee woorden alleen al doet een rilling over mijn rug lopen, zie je iemand als de Dalai Lama al zeggen “hello, I’m a thought leader”?) voor 7500+ euro (vluchten niet begrepen).

En dus zit ik mij hier af te vragen wie een probleem heeft: ik, of de wereld? Hoe ik ook mijn best doe, ik kan geen reden bedenken waarom wie dan ook ter wereld zoveel betaald zou moeten worden. Dat is voor mij als gaan eten in een sterrenrestaurant: de prijs voor lekker eten verhoudt zich voor mij niet in een lineaire curve zonder einde. Hoe lekkerder, hoe duurder: misschien, maar wel maar tot op een zeker punt. Ik zou nooit, hoe hemels lekker ook, pakweg 200 euro kunnen neertellen voor een etentje. Maar daar zal mijn Kempische nuchterheid wel voor iets tussenzitten. Maar dus zo ook voor mensen en hun talenten. Sommige mensen zijn zeer getalenteerd, en hebben iets te bieden aan de wereld, of aan een bepaalde groep van mensen in de wereld. Maar ook die waarde heeft in mijn ogen een maximum. Een coachingsessie van een uur mag nog zo fantastisch zijn, voor mij zal het nooit 250 euro waard zijn. Tenzij die persoon voor dat geld de software in mijn hoofd en systeem kan resetten. Want al bij al wandel je daar na dat uur gewoon als jezelf naar buiten, en moet je het toch zelf doen.

Bij het bovengenoemde aanbod van het exclusieve weekendje had ik vooraf voor mezelf een prijs ingeschat. Aangezien ik weet dat ik mijn initiële schatting altijd minstens moet verdubbelen en nog naar boven afronden, had ik dat in het geval van het weekendje in Zuid-Engeland ook gedaan. Of correcter: ik had voor mezelf op voorhand een bedrag voorgenomen dat ik eraan zou willen geven. In dit geval moest ik het maal 5 doen.

Vandaar mijn vraag: zie ik hier iets over het hoofd? Ik begrijp het wel hoor. Personen die zo’n aanbod doen, hebben zelf meestal een hele weg afgelegd. Ze hebben zich zelf ook (licht)blauw betaald aan zelfontwikkeling en worden vaak begeleid door duurbetaalde coaches die hen ondersteunen (ik lees het nu even als “pushen”) om de in mijn ogen veel te hoge bedragen te vragen. En de mensen die deelnemen zullen de investering op een dag ook willen gaan terugverdienen.

Hoeveel is zelfontwikkeling waard? Wordt hier niet het beeld gecreëerd dat, als je maar voldoende geld neertelt, je de antwoorden op je vragen gaat vinden? En dat, voor wie niet betaalt, die voor altijd onbeantwoord zullen blijven?

Wat is er mis met het ruimhartig delen van je kennis & ervaring, zomaar, of tegen betaling van een gepaste prijs? Het kan ook anders. Zo ga ik nu, voor een nieuwe ontwikkeling in mijn leven, naar één van de beste logopedisten die er in Vlaanderen rondloopt. Een absolute krak in haar vak. De eerste keer dat ik ging, hield ik mijn hart vast, maar ik had, zoals steeds, voor mezelf een bedrag bepaald dat het zou mogen kosten. En wat bleek? Zij vraagt het officiële logopedistentarief, afgerond naar boven met 2 euro (!). Zo kan het dus ook.

Ik zou het fijn vinden om jullie mening hierover te horen. Misschien krijg ik wel een verfrissend nieuw perspectief aangereikt. Nu zie ik het vooral als een kwalijke evolutie van mensen die zelf al ploeterend hun weg hebben gevonden en dan “groot” geld gaan verdienen aan andere zoekende mensen. Niets mis met lichtende voorbeelden, die hebben we nodig, maar waarom moet dat omgezet worden in big business? Of zou het toch gewoon de oude vertrouwde wet van vraag en aanbod zijn? Dat de waarde van iets bepaald wordt door wat mensen bereid zijn ervoor te betalen? Tussen de economische wetten en mezelf zal het nooit grote liefde zijn.

Ik vraag mij af waar het gezond verstand naartoe is. Kunnen we niet gewoon collectief eens landen en kijken met welk opbod we eigenlijk bezig zijn…

Tot slot nog deze oproep: als ik op een dag het equivalent van een ruim maandloon vraag om een paar uur met mij van gedachten te wisselen, wil iemand mij dan alsjeblief een sjot onder mijn gat geven en me met mijn 2 voeten terug op de grond zetten? Dank u.

Ondertussen houd ik me bij mijn oude vertrouwde manier van zoeken naar mijn weg: veel praten, luisteren en lachen met partner en vriendinnen, boeken lezen, cursussen volgen, stil worden, in de natuur wandelen en mezelf af en toe kei-hard relativeren.

x

Verzoeknummer

Ze had een verzoeknummer voor mijn blog, zei ze. Of ik niet een keer wilde schrijven over mijn man, hoe we mekaar hadden leren kennen en zo. Ze zei er benieuwd naar te zijn na het lezen van de verhalen op mijn blog.

De vraag kwam zo onverwacht, maar oprecht, dat ik even stilviel. Ik voelde hoe de vraag een klein luchtgaatje maakte in het onafgesproken cordon in mijn hoofd dat ik niet schrijf over mensen in mijn directe omgeving die ik onvoldoende kan anonimiseren. Het gaatje bracht lucht, inspiratie en herinneringen binnen. Dus, E., hier is je verzoeknummer:

Het is januari 1990. Op papier ziet dat er erger uit dan het was. Het leven verliep al in kleur toen. Al kon ik toen onmogelijk weten dat mijn leven achteraf gezien tot dan nog redelijk monochroom verlopen was. Ik was bijna 17 en dacht de wereld goed te begrijpen, of toch dat kleine stukje ervan dat wij kenden in de stille Kempen, met maar een handvol televisiestations, muziek op cassetjes en klas- en scoutsfuiven op fietsafstand. Om die wereld te snappen had ik het onderverdeeld in hokjes. Naar het schijnt een normale menselijke reflex. Ik leefde gelukkig en naïef in mijn netjes afgebakende wereld. Elke ochtend om 6u40 uit bed, voor de 10 minuten badkamertijd die voor mij gereserveerd was in de ochtendspits van een gezin met 4 pubers, en elke avond om 21u15 er weer in. Meestal moe maar voldaan. Mijn wereld speelde zich af op school bij mijn vriendinnen, thuis en op zaterdag bij de scouts. Dat was het. De tijd daartussen bracht ik door in boeken. Ik verslond ze en genoot intens van de andere werelden en tijden waar ze mij in meenamen.

In mijn dagdromen had ik de ideale jongen al samengesteld: hij zou bruine krullen hebben (maar dat was bijzaak), het voornaamste was dat hij sociaal, lief en grappig zou zijn (en gitaar kon spelen). De eerste verkenningen brachten mij bij jongens die nog niet in de buurt kwamen van dit ideaalbeeld. Ook al ging ik er vanuit dat die ideale kerel met zijn krullen niet bestond, toch vroeg ik me soms af hoe het moest gaan als zou blijken dat die jongen wél bestond, maar bijvoorbeeld in Canada zou wonen. Dat zou zo jammer zijn.

Ondertussen waren er bij ons op de middelbare school enkele jongens gestart. Die school, al meer dan 100 jaar een bastion van meisjes, liet voor het eerst jongens toe. Omdat het moest. Op de ongeveer  2000 meisjes (in grijze uniformrok) viel het 30-tal jongens hard op. Het duurde dan ook niet lang vooraleer we ze allemaal geïdentificeerd hadden. Wij, dat zijn mijn vriendinnen en ik. In de kunstklas van ons jaar zaten 3 jongens. Eén ervan was heel opvallend, met donkere krullen en een brilletje, de andere kende ik vanuit ons dorp en de derde was zo onopvallend dat hij meteen in het hokje “grijze muis” terecht kwam.

Die grijze muis bleek net als ik klasverantwoordelijke te zijn en dus kwamen we samen in het leerlingenparlement terecht. Hij had daar ook al gezeten in het 5e middelbaar, net als ik, maar ik vond hem zo grijs en ogenschijnlijk saai, dat ik geen minuut aandacht aan hem besteed had. Ik wist zelfs niet hoe hij heette (wat opmerkelijk was, aangezien ik bijna alle namen kende van het 300-tal leerlingen van ons jaar). Ik noemde hem “die van kunst met zijn blauw sjaaltje”.

In de winter van het laatste middelbaar zaten we in een vergadering van het leerlingenparlement en werd er een onderwerp aangehaald dat we het jaar ervoor al besproken hadden. Als anciens van het leerlingenparlement, gingen die van kunst met zijn blauw sjaaltje en ik daarop in. Voor het eerst keek ik hem aan, en voor het eerst hoorde ik zijn stem. Hij wees naar mij en vertelde tegen de groep wat ik daar vorig jaar over gezegd had. Ik was met stomheid geslagen. In mijn hokje van grijze muis had ik meteen alle voor mij logisch lijkende eigenschappen op hem geplakt: hij was – in mijn ogen – ongeïnteresseerd (want zei niet veel), luisterde waarschijnlijk niet naar wat er gezegd werd en zat daar zonder twijfel tegen zijn zin. Maar toen hij begon te spreken, was het alsof er een licht op hem ging schijnen. Het grijze, vlakke silhouet kreeg kleur en diepte.

Nadien begonnen we te praten, met 2. Hij bleek mooie ogen te hebben, waarmee hij indringend kon kijken. Ik vond het wel een beetje een rare jongen, ongewoon, maar mijn interesse was gewekt. Een paar dagen en heel wat opgewonden gesprekken met mijn vriendinnen later, was de interesse opgelaaid tot een ware verliefdheid. Helemaal volgens het boekje: voortdurend aan het kijken waar hij was, of hij naar mij keek, een horde vlinders en ander fladderend gewapper in mijn buik,…

De eerste afspraakjes hebben we uren gepraat en in mekaars ogen gekeken. Ik las graag, en hij bleek zoveel andere boeken gelezen te hebben, die ik dan meteen enthousiast in de bib ging zoeken (zo leerde hij me Herman Hesse kennen – verslonden heb ik die boeken). Ik luisterde graag naar muziek, hij bleek een muzieksmaak te hebben die zo breed was dat er geen begin en geen einde aan was. Hij nam voor mij cassetjes op met muziek die ik vaak vreemd, maar ook prachtig vond. Bijna alles was nieuw. Hij was creatief, grappig en intelligent. Hij schreef poëzie waar ik met mijn hoofd niets van begreep, maar die mijn ziel raakte. De jongen die ik zo gemakkelijk in een hokje had gestoken, bleek in geen enkel hokje te passen. Nog steeds niet.

Probeer hem te snappen, en hij ontglipt je. Probeer hem vast te pinnen, en hij glijdt eronder uit. Nog steeds is hij de boeiendste mens die ik ken. Telkens als ik hem zie, maakt mijn hart nog een klein sprongetje. Hij is mijn beste vriend en het anker in mijn leven.

Nu zijn we bijna 26 jaar later, en we zijn langer samen dan dat we alleen geweest zijn. We zijn samen opgegroeid, hebben samen kinderen op de wereld gezet en zijn dus meer dan sterk verstrengeld met mekaar. Maar daarbuiten hebben we ook elk onze eigen ruimte nodig. Ruimte en vrijheid om te ontwikkelen, om onze eigen weg te gaan, in contact. We leggen de lat hoog voor onszelf, en dus ook voor de mensen dicht bij ons. We zijn mekaars klankbord en spiegel en houden mekaar scherp. Wat niet altijd eenvoudig is. Soms bevalt het beeld in de spiegel je niet, en word je boos op de spiegel…

Niet dat het altijd gemakkelijk is. Om het met de woorden van mijn schoonmoeder te zeggen: “het is stil waar het nooit waait”. Het heeft al flink gewaaid bij ons. Soms tot orkaansterkte, dat we beide dachten dat we er niet meer uit zouden geraken. En toch, in het midden van de storm, bleven we af en toe aftoetsen bij onszelf en mekaar: “zou  het kloppen om uit mekaar te gaan?”. En telkens was het antwoord nee, ook al waren we zelf het geloof in een goede afloop verloren. En zie, we hebben het overleefd. Niets zegt dat er niet nog eens een orkaan zal opsteken. Wat het leven brengt, weten we niet. Maar we hebben onze basis, onze liefde en ons diep respect voor mekaars diepte en eigenheid, voor mekaars ongrijpbaarheid. In het loslaten van de ander het vertrouwen voelen. En een immense dankbaarheid voor zoveel liefde en trouw.

Het haakje

Hij stapte mijn leven leven binnen. Jong, knap en charmant. Moeiteloos baande hij zich een weg naar mijn hart, dat zich zonder weerstand opende. Ik had geen verweer tegen zijn jongensachtige speelsheid en warme aandacht.

Een tijd later wandelde hij weer mijn leven uit. Mijn hart leek te scheuren. Net zoals wanneer ik dacht hem te zullen zien, en hem toch niet zag, dan kneep mijn hart samen en draaide zich in een knoop, wat mij de lucht benam en soms zelfs misselijk maakte.

Onrust en storm in mijn binnenste. Die kalmeerde telkens als ik hem voldoende lang niet zag of hoorde. Maar bij de eerste aanblik of gedachte begon het weer, die kermis vanbinnen. Iemand anders zou het misschien verliefdheid noemen, maar voor mij was het iets anders. Iets dat ik niet kon grijpen, maar wat voor mij geen verliefdheid was. Dit was een onontkoombaarheid, een dwingeland uit heel oude tijden. Een bijna primitieve reactie op iets wat heel mijn lijf leek te kennen.

Het was niet de eerste keer dat dit zich voordeed. Ik herkende een patroon dat zich al vaker getoond had in mijn leven, en waaraan ik in het verleden soms grotere conclusies had verbonden. Nu leek ik net voldoende bewustzijn te hebben om mezelf te observeren en om tegelijk heel erg nieuwsgierig te worden. Wat was dit toch, dat telkens zo de grond onder mijn voeten kon weghalen?

Hij was uit mijn leven, de storm was gaan liggen. Maar het was nog vers genoeg om het gevoel op te roepen. Eén beeld van hem oproepen, en mijn lichaam reageerde. Dat is wat ik deed in mijn 2-wekelijkse focussessie met mijn focusmaatje K.

Ik sloot mijn ogen en zakte naar binnen. Ik riep het beeld op en voelde wat er gebeurde. In mijn onderbuik voelde ik een haakje. Het was zo’n typisch gekromd haakje, zo één waar je in oude cafés de deur van het toilet mee moet sluiten als het gewone slot het niet meer doet. Het haakje leek in een blokje beton te zitten, en stak naar buiten, uit mijn buik. Ik voelde hoe de jongeman die mijn leven in- en uitgestapt was, het haakje aangeraakt en in beweging gebracht had. Als een schommel die heen en weer gaat. Die beweging zette heel mijn systeem in gang. Het haakje werd verondersteld stil te hangen, in zijn betonnen blokje. Ik zag hoe ik normaal gezien voldoende afstand houd van mensen, zodat niemand dat haakje ziet of aanraakt. Op een veilige afstand. Maar deze jongeling was zonder boe of ba op mij afgestapt, had het haakje gezien en er even speels een duw aan gegeven.

De beweging in mijn buik bleek in rechtstreeks contact te staan met een immense brok verdriet, hogerop, in mijn keel. De woorden die erbij hoorden, waren heel simpel en duidelijk. “Blijf bij me, blijf bij me, blijf bij me,…” Het verdriet werd intenser. “Laat me niet alleen, laat me niet alleen.” “Ik kan het niet alleen”. Mijn focusmaatje begeleidde me rustig naar het volwassen stuk in mezelf, waarbij dit hele oude verdriet gewoon zichzelf kon zijn, en zijn eigen waarheid mocht tonen.

De sessie had me zoveel helderheid en rust gebracht. Ik reed opgelucht en opgeruimd naar huis. Onderweg bedacht ik dat dit wel eens het haakje van de verlatingsangst (en dus ook van zijn keerzijde, de bindingsangst) zou kunnen zijn. We (ja, dat durf ik zeggen, ik weet ondertussen dat ik niet alleen in dat schuitje zit) houden mensen op voldoende afstand van ons haakje. Want dat haakje, ook al lijkt het stevig gebetonneerd, staat rechtstreeks in verbinding met onze kwetsbaarheid en ons potje oude pijn en verdriet. Als er dan iemand zich aan het haakje vastklinkt, en op die manier het hele zorgvuldig opgebouwde evenwicht als een kaartenhuisje onderuit haalt , dan gaan alle (oude) poppen aan het dansen, en willen we nog maar 1 ding: blijf bij mij, laat me niet alleen, ik kan het niet alleen. Als die persoon dan het haakje weer loslaat, voel je de immense pijn van de verlating, die zo diep in ons systeem opgeslagen zit. De oude pijn en de angst dat dit misschien wel eens de laatste persoon is geweest die het haakje opgemerkt heeft. Misschien komt er nooit nog iemand langs, en blijven we altijd alleen.

En zo ben ik opnieuw, en nog maar eens, dankbaar, voor alles wat er in mijn leven gebeurt. Alles wat me raakt en overhoop haalt. Elke gebeurtenis leidt me een stukje meer naar binnen, tilt de sluier een beetje verder op, brengt me dichter bij mezelf.

Mijn eigen waarheid, die ik deel om mezelf te helen en om, wie weet, anderen te raken of herkenning te bieden.

Ik bied je het aan, met heel mijn hart.

x