Monthly Archives: December 2013

Sofie

Noem me bij mijn naam.
Zie me. Kijk me aan.

Al heel mijn leven vind ik het fijn als iemand mijn naam zegt. Als iemand me bij mijn naam noemt. Als een bevestiging dat ik besta.
Sofie.

Als iemand mijn naam bewust zegt, wordt mijn hart eventjes aangeraakt, als de zachte vleugelslag van een vlinder.

Uiteraard heb ik het niet over die ijverige verkopers die je niet kennen, maar toch je voornaam aan het begin, tussen & aan het eind van elke zin misbruiken. Op die momenten voelt het net andersom, alsof ze in een intieme ruimte komen waar ze niets te zoeken hebben. Misbruiken dus.

Maar vandaag gebeurde er een grappig naam-verhaal waar ik om moest glimlachen.

In het dorp waar ik woon, is een beenhouwerij waar het koppel – J. & P. – iedereen die ze kent, met de voornaam aanspreekt. En aangezien ze al zo’n 30 jaar hun winkel hebben, kennen ze ondertussen ontelbare mensen & evenzoveel voornamen. Zelf kwam ik 8 jaar geleden, na een periode van 15 jaar overal en nergens, terug in het dorp wonen. Onbekend voor het slagerskoppel, werd ik steevast aangesproken als “Madam”. Wachtend op mijn beurt tussen Maria, Jef, André, Wiske en Anja, was ik telkens “Madam”. Ik voelde mij een buitenstaander, iemand die er niet bij hoorde. Soms wilde ik uitroepen dat het Sofie was. Dat ik Sofie heet. En het ging niet alleen om de begroeting. Ook op het einde, als afsluiting van het winkelritueel, bij het buitengaan zeiden J. en P. steevast in koor “Madam, merci en dankuwel he”. Terwijl Maria, Jef enz… de variant met hun voornaam kregen. Onveranderlijk.

Het is niet dat het niet persoonlijk werd. Door de jaren heen begon ik hen met de voornaam aan te spreken en werd er al eens gepraat & vooral geluisterd als het rustig was in de winkel en een zorgelijke blik of zucht van J. of P. mij een vraag ontlokte & het hart gelucht werd. Maar nog steeds kenden ze mijn naam niet. Ik wist niet hoe ik het moest aanbrengen. “Zeg maar Sofie”, klinkt als een Fransman die beslist wanneer het tijd is om van het vousvoyeren over te gaan naar het tutoyeren. Een ander stemmetje fluisterde dat ze misschien helemaal geen zin hadden om nog een voornaam te kennen. En dat ik er gewoon niet bij hoorde & voor altijd de buitenstaander “Madam” zou blijven.

Tot vandaag. Ik had telefonisch iets besteld op mijn naam en ging het, zoals afgesproken, afhalen. Toen ik binnenkwam verwelkomde P. (de vrouw) mij met een brede glimlach van oor tot oor. “Sofie is het hè?” En terwijl ze dartel naar de koelkamer leek te huppelen voor mijn bestelling, riep ze vrolijk “Is het goed dat we voortaan Sofie zeggen?” Mijn hele wezen glimlachte van oor tot oor, van kop tot teen. Ik was er niet meer mee bezig geweest. Ik had mij al geschikt in mijn lot om met het etiket “Madam” tot aan hun pensioen door het leven te gaan. En nu dit. We stonden mekaar breed lachend aan te kijken. Ik antwoordde dat ik dat heel graag zou willen.

Ondertussen was ook J. uit de koelkamer tevoorschijn gekomen. Toen ik afgerekend had & richting deur ging, hoorde ik J. en P. in koor zeggen: “Sofie, merci en dankuwel he”.

🙂
🙂

Laat het nieuwe jaar maar beginnen!

Advertisements

Donker

Ik heb een duisternis in mezelf. Een donkere plek, diep in mij, waar ik altijd met een grote boog omheen gegaan ben.

Tot op een dag, ondertussen al meer dan 10 jaar geleden. Ik werkte aan de universiteit in het – zoals ik het later uitdrukte – hol van de exact wetenschappelijke leeuw. Begiftigd met een goed, gezond, logisch-analytisch verstand, liep ik rond met in mezelf een minstens even groot vat vol onbegrepen emoties, angsten en zelftwijfel. Het vat was groot, heel groot. Soms leek het zelfs niet in mijn lijf te passen, zo groot. Maar niemand die het opmerkte. Ik was dan ook een meester in het verstoppen, in het niet tonen.

Op een middag zat ik met mijn collega’s in de grote refter van de universiteit te eten. Koetjes en kalfjes passeerden de revue. Een zucht hier, een opmerking daar. De sfeer was zoals vaak ingehouden en gepolijst. Beschaafde mensen onder mekaar.

Tot J. erbij kwam zitten.

J. was een opvallende verschijning, niet dat hij er excentriek uitzag, maar zijn uitstraling, charme, guitigheid en enthousiasme waren heel ongewoon, toen & daar. Weg waren de koetjes en kalfjes, als in een vingerknip zaten J. en ik te praten over wat ons bezighield. Van een alledaags naar een intens gesprek in enkele minuten, en voor we het doorhadden, bleek iedereen rond ons weggegaan te zijn. Weer aan het werk.

Het was een prachtige dag, de zon scheen. J. en ik zetten ons buiten op een bank. Ik vertelde over de duisternis in mij. Hoe het aanvoelde als pikzwart water, zonder bodem. Hoe het aan me trok, als een soort moeras en hoe het soms als pek aan mijn huid leek te kleven.

J. vroeg of ik hem vertrouwde. Of ik hem in die mate vertrouwde dat ik hem de toestemming zou geven om samen met mij naar die donkere plek te gaan. Het werd even stil. In mijn hoofd flitsten honderden goede redenen waarom ik dit beter niet kon doen. Ik moest terug gaan werken. En wie zegt dat hij te vertrouwen was? En was dat zwart water niet gewoon een verzinsel, iets onbestaands?

Maar ik zei ja.

En zo lag ik even later op een bank in de zon met J. die naast mij zat. Een jongeman die ik nauwelijks kende, maar die me uitnodigde om op verkenning te gaan naar de duisternis in mezelf.

Ik sloot mijn ogen en liet me leiden naar het beeld van het zwarte water in mezelf. Toen ik dichter kwam, zag ik dat het water niet zwart, maar eerder groen was. J. nodigde me uit het water in te gaan. Er bleek wonderwel een bodem te zijn. Bovendien was ik niet alleen, er was nog leven. En toen ik, na een volgende aanmoediging, om mij heen keek, bleek de zon te schijnen op die plek en zag ik gras, struiken en bomen.

En zo verkende ik mijn poel van duisternis en angst, gegidst door een geduldige, toegewijde jonge man. Vraag me niet hoelang ik daar gelegen heb. Ik bevond me in een andere dimensie, met J. aan mijn zijde. Na afloop voelde ik me als herboren. Nog steeds ben ik J. zo dankbaar. Hij opende de deur, ik ging erdoor.

Dat was het begin. Tussen toen en nu heb ik nog stappen gezet  om die duisternis in mezelf te verkennen.

Op een avond, zo’n 2 jaar geleden, lag ik in bed. De donkerte in mezelf was zo groot en zo machtig. Incontournable, zoals ze in het Frans zo mooi zeggen. Ik wrong me in 1000 bochten om er niet naar te moeten kijken, om het niet te voelen. Tevergeefs. Het was overal. Ik gaf me over. Met de angst tot in elk uiteinde van mijn lichaam liet ik de duisternis mij omhullen. En toen gebeurde het wonderbaarlijke. Helemaal in het diepste, donkerste punt van de pikzwartheid scheen een lichtje. Dit was zo onverwacht, dat tranen van dankbaarheid en opluchting over mijn wangen liepen.

Sindsdien ben ik niet meer bang van de donkerte in mezelf, noch van die bij anderen. Ik zie mezelf nu als een soort warrior. Als iemand het wilt, trek ik mijn pak en mijn boots aan en ga ik onvervaard mee op pad, de duisternis tegemoet.

Zo geef ik door wat J. en anderen voor mij gedaan hebben, gesteund door de wetenschap dat het licht wel in de duisternis kan schijnen, maar de duisternis niet in het licht.

x

Droomhuis

Ik ben een dromer. Letterlijk dan. Ik droom al heel mijn leven veel & intens. Soms lijkt iets zo echt, dat ik niet weet of ik het gedroomd heb, dan wel écht meegemaakt heb.

Meer nog, de kans is groot, beste lezer, indien u een familielid, vriend, collega of zelfs maar een verre kennis bent, dat u al gefigureerd heeft in één van mijn vele dromen. Vroeger had ik de neiging om mensen daarover aan te spreken. “Hé dat is toevallig, vannacht was je nog in mijn droom”, maar dit heb ik door scha & schande afgeleerd. Toegegeven, “ik heb gedroomd over jou” heeft veel te veel connotaties om zo maar eventjes droogweg aan de schoolpoort, naast het voetbalveld, op kantoor, of, zoals vroeger, in de les te zeggen. En te weten dat 98% van mijn dromen “onschuldig” is. Over de rest zwijg ik sowieso. Die grens weet ik wel liggen. Maar goed, nu zwijg ik dus, ook over de brave dromen, al gaat er wel steeds een schokje van herkenning door me heen als ik iemand zie die luttele uren ervoor nog alive & kicking in mijn droom passeerde.

Maar het mooiste verhaal, waarin werkelijkheid & droom door mekaar liepen, deel ik graag met u.

De meeste van mijn dromen spelen zich af in een huis. Meestal gaat het om een groot huis, met veel kamers, waarin heel veel mensen rondlopen. Het bijzondere was dat ik op een gegeven moment besefte dat het heel vaak om hetzelfde huis ging én dat ik dit huis kende. Van wie, wat of waar wist ik niet, maar telkens ik van dit huis droomde, voelde het super vertrouwd aan. Ik stelde mij er verder geen vragen over, noch was ik bewust op zoek om te achterhalen welk huis (uit mijn echte leven) dat was.

Dit moet ongeveer zo’n 20 jaar geduurd hebben, totdat ik vorig jaar in oktober gedachteloos door de lokale editie van een online krant aan het bladeren was. Plots zag ik daar het overlijdensbericht, met foto, van een man uit ons dorp. Hij was een oud-rechter en om die reden was er een kort artikel aan hem gewijd. Ik keek in de ogen van de man op de foto en, naast de schok van het vernemen van zijn overlijden, zag ik het plots heel helder: het was zijn huis waarover ik al 20 jaar droomde.

Zijn vrouw, E., had jaren “catechese” gegeven aan vormelingen en ook ik had 2 jaar lang, elke 2 weken een woensdagnamiddag bij haar doorgebracht. Ik zat even verbouwereerd achter mijn scherm. Het mysterie, dat het eigenlijk enkel op een onbewust niveau was, was opgelost. Mijn brein begon onmiddellijk redenen te zoeken waarom precies dit huis zich zo in mijn systeem verankerd had. Ik kon niets anders bedenken, en dat geloof ik nog steeds, dat ik me in dat huis écht goed gevoeld heb. E. is een prachtige, warme vrouw die vol vuur en passie door het leven stormt. Zij was toen een echte inspiratiebron voor mij. De warmte en de gastvrijheid die in het huis hingen waren voor mij ongekend en deugddoend.

Of toeval bestaat of niet, is een aparte discussie, maar feit is wel dat ik 2 dagen later, na haar 25 jaar niet meer gezien te hebben, E. tegen het lijf liep. We botsten letterlijk bijna tegen elkaar op. We waren zo blij mekaar te zien. Ik wenste haar veel sterkte bij het overlijden van haar man & vroeg of ik eens mocht langskomen. Dat ik haar iets te vertellen had. Ondanks haar grote verdriet, had ze nog niets aan vuur ingeboet. Met tranen in de ogen stond ze, 78 jaar oud ondertussen, bijna te wippen op haar voeten van enthousiasme.

En zo zaten we enkele weken later, onder ons 2, op een koude januari-ochtend, koffie te drinken en pralines te snoepen, als 2 schoolmeisjes. Ik bijna 40, zij 78. We zaten te lachen, te praten en te wenen. Om zoveel liefde en vriendschap. Over de tijden heen, 25 jaar opgelost in een zucht. Alsof ik de dag ervoor nog als 11-jarige – ongetwijfeld huppelend- dezelfde keuken binnenkwam waar we nu zaten te praten. Intens genietend en dankbaar voor zoveel onverwachte, maar springlevende liefde.

Sinds die dag heb ik niet meer van het huis gedroomd. De cirkel is rond. Deze zomer liep ik in het huis, van kamer naar kamer, niet met de vele, soms onverwachte figuranten uit mijn droom, maar met E., mijn man en mijn kinderen. Een droomhuis, vol leven.