Monthly Archives: January 2014

Post-Dublin

Wat volgt er meestal na een intense ervaring waarbij je lichtjes buiten jezelf gegaan bent? Inderdaad, de kater.

De kater na mijn avontuur in Dublin kwam in de vorm van stekende pijn & een peilloos verlangen in mijn hart.

Ik was verward. Ik wist zeker dat ik niet verliefd was op R., noch had ik enige fysieke aantrekkingskracht gevoeld. Van waar dan die diepe, scherpe pijn?

En toen kwam het inzicht: meer dan wat dan ook, had de ontmoeting met R. de pijn van het niet gezien zijn en het verlangen naar gezien worden blootgelegd. Ik weet dat ik hierin niet alleen ben. Velen van ons zijn als kind niet of onvoldoende gezien. Zo ging dat vroeger, maar het heeft mij (en vermoedelijk veel van mijn leeftijdsgenoten) achtergelaten met een pijnlijk verlangen om gezien te worden, om benoemd te worden, om in de ogen gekeken te worden. Ik was mij er al bewust van, maar deze belevenis liet het mij (nog) eens tot in de diepste details voelen.

In de weken en maanden nadien heb ik het verhaal verteld aan enkele vriendinnen. Telkens apart. En onveranderlijk bleek mijn verhaal elk van hen te raken. Elk op haar eigen manier, in haar eigen kader & levensverhaal, maar het bleek wel een soort universele snaar te raken. De snaar “angst voor wezenlijk contact met mannen” of hoe ik het ook moet noemen, die bij veel vrouwen netjes verpakt weggestopt zit. Wie spreekt er nog over angst voor mannen in deze vrije, geëgaliseerde “we zijn allemaal gelijk” samenleving? Ik normaal gezien niet, maar de reacties op mijn verhaal spraken boekdelen. En dat sterkte mij.

Vrouwen hebben mekaar nodig. Het is een waarheid die ik af en toe heel diep kan voelen. En dan ben ik zo dankbaar voor al die fantastische, sterke, maar toch kwetsbare vrouwen in mijn leven bij wie ik mezelf kan zijn & die zich openen voor mij. Dat doet deugd. Meer dan deugd.

Maar gezien worden door een man is – zo blijkt – nog steeds van een andere orde.

Dus laat ons vooral voort blijven doen. En ons – ondanks de angst – blijven openstellen voor mekaar. De uitwisseling is zo boeiend…

Advertisements

Ontmoeting in Dublin (deel 2)

(vervolg van deel 1)

“Hello, it’s me, R.”

R. verontschuldigt zich. Hij zegt dat hij beseft dat zijn vraag fout overgekomen is. Dat het leek alsof hij er iets mee bedoelde, maar dat hij gewoon de avond nog niet wilde doen eindigen. Hij vertelt dat hij het zo leuk vond om met mij te praten, dat het leek of we mekaar al lang kenden, en dat hij, heel oprecht, het nog even wilde laten voortduren…

Ondertussen sta ik te trillen op mijn benen. Ik laat me op mijn bed zakken. Ik luister naar wat hij tegen mij zegt. In mij gaat het gevecht verder: stemmen die zeggen dat dit allemaal onderdeel is van het plan om mij in zijn bed te krijgen en anderen die mild fluisteren dat hij oprecht is, en hij het écht gewoon fijn vond om met mij te praten. Ik zal vermoedelijk nooit weten welke van de 2 juist was, en misschien lag de waarheid ergens in het midden. Maar op dat moment, in die kamer, in dat hotel ver weg van huis, besloot ik om het tweede te geloven. Dat ik iemand ontmoet had met wie het goed klikte, die toevallig een man was, en dat we het gewoon fijn vonden om van die klik te genieten. Door dat besluit, en gesterkt door de veiligheid van de telefoon, gaf ik me over. Er was nu geen reserve meer. Ik vertelde hem mijn kant van het verhaal. Wat zijn vraag met mij gedaan had. En welke angsten dit opgeroepen had.

Het werd een heel intens gesprek. We zaten nu op een ander niveau. Niet meer dat van ons leven en werk, maar dat waar de angsten, hoop en twijfels zich bevinden. We spraken ze uit, en vonden ook daarin mekaar. Hoelang het gesprek geduurd heeft, weet ik niet, maar het was ondertussen een flink stuk in de nacht. Op het einde van het gesprek vroeg hij wat we de volgende dag zouden doen, als we mekaar zouden zien. “Gewoon, we doen gewoon, en zijn blij dat we mekaar zien,” zei ik.

En zo gebeurde. De ochtend nadien zagen we mekaar in de ontbijtzaal. Het voelde vertrouwd en onwennig tegelijk. We hadden zo’n intimiteit gedeeld de nacht voordien, op een ander vlak dan het fysieke. Wat ons ook de vraag deed stellen of dit nu “vreemdgaan” was. Onder welke hoofding hoort niet-fysieke intimiteit met iemand anders dan je partner?

De dag zelf was opnieuw boeiend, al was er nu een dimensie bij. We zaten naast mekaar, praatten wat in de pauzes en leken altijd te weten waar de andere was.

Die avond stond er een volgende teamactiviteit op het programma. Het zou de laatste avond zijn. We werden met een bus naar een whisky distilleerderij gebracht, waar we na een rondleiding zouden eten. In de bus vroeg ik hem wat hij eigenlijk gestudeerd had. Hij vroeg mij wat ik dacht. Aangezien hij voor een farmabedrijf werkte, ging ik ervan uit dat hij één of ander exact-wetenschappelijk diploma zou hebben. Bioloog, scheikundige, ingenieur,… iets van die strekking. Zijn antwoord was het laatste wat ik verwacht had, en het zorgde voor een kleine opstoot van verwarring. Hij bleek een psychiater te zijn.

Ik was even met stomheid geslagen, en tegelijk voelde ik me een beetje in het ootje genomen. Als psychologe heb ik een natuurlijke alertheid tegenover psychiaters. Maar door mijn onwetenheid, kreeg ik het gevoel dat ik me echt wel als een patiënt had gedragen, en hij de gewiekste psychiater die weet op welke knoppen je moet drukken. Hij stelde me al snel gerust. Hij had maar enkele jaren gewerkt als psychiater, in Praag, en was vooral het pillentype, dat niet veel tijd per patiënt kon vrijmaken. Niet het psycho-analytische, leg-je-eens-op-mijn-sofa, type. Toch duurde het even voordat ik het ongemakkelijke gevoel van mij kon afschudden dat dit soort omgang voor hem routine zou zijn.

In de distilleerderij kregen we na de rondleiding whisky te proeven. R. en ik zaten ondertussen aan een tafeltje met een Nederlandse man en vrouw. Toegerust met goede Oost-Europese genen en gewoonten voor drankgebruik, nam R. alle whisky’s die ik naar hem doorschoof in dank aan.

Het werd een gezellige avond met onze Nederlandse compagnons. In het hotel gekomen gingen we met ons vieren nog voor een slaapmutsje naar de bar. Ik had de tijd in het oog, aangezien de vrouw die in het team mijn “baas” was, mij gevraagd had om de ochtend nadien om 7u een ontbijtvergadering te hebben. Dat ging pijn doen, sowieso.

Het liep al tegen enen toen we besloten de dag af te sluiten. We namen afscheid van mekaar, en ieder van ons ging zijn eigen weg. Op mijn kamer zette ik nog even de laptop aan om te kijken of er nog berichten uit België waren.  Ik vroeg me af of R. vanavond zou bellen. Ik voelde dat ik er ergens op hoopte. Vijf minuten gingen voorbij, en ook 10..

Na een kwartier ging de telefoon.

Met een glimlach van oor tot oor nam ik op, ditmaal niet verbaasd door het geluid. “Wist je dat ik je zou bellen?” vroeg R. “Ergens wel ja, en als ik eerlijk ben, ik had het ook gehoopt”.

Voor we het wisten zaten we terug op het niveau waar we de vorige nacht gezeten hadden. We praatten over onze ontmoeting, over wat dit allemaal opriep, en wat dit betekende. R. vertelde me dat hij nog nooit met iemand op die manier gepraat had. Dat ik bijzonder was. Dat ik zo mooi en ontwapenend lachte. Wat hij zei, vleide me, maar tegelijk bleef ik alert. Ik wist nog steeds dat ik een vrouw was, en hij een man, ver weg van huis, en dat wij volwassenen waren die konden kiezen wat we doen. En ook dat benoemde ik. Hoe het gewoon een beslissing was die we zouden nemen. Hoe dichtbij het lag. Ik nestelde me in de warmte van de intimiteit en vertrouwdheid die er tussen ons was ontstaan.

De realiteit dat ik de ochtend nadien om 7u paraat moest staan, kwam om het hoekje gluren. We zouden afronden. Ik zei dat ik hem eigenlijk wel een knuffel wilde geven. Hij beaamde. Toen vroeg hij mijn kamernummer. Mijn adem stokte, en het gevoel van in de lift kwam terug. Was ik er nu toch, met een dag vertraging, in gelopen?  Nee, ik moest niet bang zijn, hij ging niet langskomen. Het was maar gewoon om de volgende keer (die er trouwens niet ging zijn) rechtstreeks naar mijn kamer te kunnen bellen en niet via de receptie te moeten. Aarzelend zei ik het nummer. We wensten mekaar slaapwel en legden in.

Ik stoof naar de deur en checkte of die wel op slot was. Ik piepte door het oogje en zag enkel een lege gang, helemaal op het uiteinde van het hotel. Ik liep naar de (buiten)deur in mijn slaapkamer, checkte ook daar het slot en keek ook daar door het oogje. Mijn hart bonkte in mijn keel. Wilde ik echt niet dat hij langskwam, of net wel? Ik wist het niet meer. Na een aantal minuten pendelen tussen de twee deuren en de oogjes, wist ik dat hij niet zou komen. En gelukkig maar, zei een stemmetje in mij…

De ochtend nadien zat ik om 7u vergeefs te wachten op mijn “baas”, die zich niet toonde. Dit was de dag waarop iedereen in de vooravond naar huis zou gaan. Nog een dag van lezingen en discussies. R. en ik zochten mekaar op en brachten de dag samen door. In een bevreemdende sas tussen deze werkelijkheid en die van thuis.

De workshop was afgelopen. Iedereen nam afscheid en regelde taxi’s om naar de luchthaven te gaan. R. en ik zouden samen met een andere collega een taxi delen. De collega ging vooraan zitten in de taxi, R. en ik zaten samen op de achterbank. We keken mekaar aan. Alles was gezegd. Hier eindigde het. We hadden beide intens genoten van deze onverwachte ontmoeting. Waar ik vertrokken was met een ongelooflijke zin in kennis vergaren en er even uit zijn, ging ik nu naar huis, een heel bijzondere ervaring rijker. Het had me uit mijn evenwicht gebracht, maar me ook zoveel aangereikt.

Op de luchthaven gaven we mekaar de knuffel die er nog bij hoorde, en een kus. Ik wist dat daar onze wegen scheidden, en dat we mekaar nooit meer zouden zien. Een man, en een vrouw, schoorvoetend zich blootgegeven aan mekaar, in de veiligheid van een telefoon. Een ervaring om nooit te vergeten.

Ontmoeting in Dublin (deel 1)

Het is februari 2012. Sinds enkele maanden draai ik als externe mee in het Europese team bij farmabedrijf X dat de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel voor ziekte Y voorbereidt. Deze kennismaking van binnenuit met het farmabedrijf in kwestie is boeiend en leerrijk. Vanuit mijn aard meer voorbestemd voor werken in een klein team met een persoonlijke aanpak, zal dit vermoedelijk het dichtste zijn dat ik ooit kom bij werken in een multinational.

In de hele aanloop naar de hopelijk nakende lancering van het product, wordt beslist om een 3-daagse workshop te houden in Dublin. Hierop zullen alle mensen uit het Europese team en alle nationale teams samengebracht worden om zich samen onder te dompelen in de wereld van ziekte Y. Ik tel af, want dit lijkt me puur genieten: 3 dagen weg, niets moeten, geen verplichtingen, enkel luisteren, leren en van gedachten wisselen. De leergierige spons in mij staat te popelen om zich vol te zuigen met alle (voor mij) nieuwe kennis die er gedeeld zal worden. Extra bonus is dat de workshop zal plaatsvinden in een 5-sterren hotel. De firma heeft een goede prijs kunnen bedingen voor de groep van zo’n 80 mensen die hier midden in de week zal samenkomen.

Als ik toekom in de prachtige lobby van het hotel, snelt het personeel op me af. Ook dit is waarschijnlijk het dichtste dat ik ooit ga komen bij het sterrengevoel dat bekende mensen of mensen met veel geld moeten hebben. Met de glimlach gaat alles vanzelf: mijn naam wordt meteen gevonden, de sleutel wordt neergelegd, iemand neemt mijn bagage en voor ik het weet sta ik, een wirwar van gangen later, voor een deur, de laatste van het hotel zo lijkt het wel.

Wanneer de deur opengaat, blijk ik mij niet in een slaapkamer, maar in een heuse living te bevinden. Met een afmeting groter dan mijn salon thuis, grote statige zetels en ramen van de vloer tot aan het plafond, een halve cirkel breed, blijk ik mij in kamer 1 van mijn suite te bevinden. Nog een deur verder zie ik pas mijn bed. En wat een bed. Hier kan je minstens met 3, en als je het graag gezellig hebt, met 4 in slapen. Totaal verbouwereerd kijk ik om me heen. Op het salontafeltje staat een schaaltje met 3 prachtig versierde cakejes. Eén voor elke dag dat ik hier zal zijn, vermoed ik. Ik laat mij zakken in de zachte zetel en begin alvast aan cakeje 1. Dat helpt om te bekomen…

Mezelf een plaats zoekend in het grote bed – ik kan nog kiezen of ik recht, schuin of dwars ga liggen – geef ik me over aan de slaap. Er staan me 3 gevulde dagen te wachten.

De eerste dag is helemaal wat ik ervan verwacht heb. Er wordt veel kennis gedeeld en gediscussieerd. Ik geniet volop. ’s Avonds staan er een receptie en een groepsdiner op het programma. Met een glaasje in de hand zet ik me bij een aantal vrouwen die ik al kende van vorige meetings. Het gaat er al snel gezellig aan toe, want met deze leeftijds- en geslachtsgenoten zijn er altijd wel raakvlakken te vinden.

Niet veel later komt er een man bij ons staan. Ik kijk op zijn naamkaartje en herken zijn naam, R., van in de telefonische teamvergaderingen die we in de voorbije maanden gehad hebben. Ik vertel hem al lachend dat zijn naam en zijn manier van praten mij altijd hebben doen denken dat hij een Jamaicaan was. Maar R. blijkt een Slovaak te zijn die in de buurt van Londen woont en werkt voor het Engelse team. De toevoeging van een man aan ons groepje vrouwen doet de sfeer alleen maar goed, net als de bubbeltjes.

Na de receptie worden we uitgenodigd om plaats te nemen aan tafel. Ik kom terecht tussen R. en een Spaanse vrouw met wie het al eerder goed klikte. De avond verloopt gemoedelijk en de sfeer zit goed. We lachen en ontspannen.

Met R. heb ik al snel een klik, en we babbelen erop los. We praten over ons leven, ons werk, over wat ons bezighoudt. Wanneer het diner op zijn einde loopt, blijven we verder praten. Als we even later opkijken, blijkt de rest van de tafelgenoten al weg te zijn. We besluiten ons gesprek verder te zetten in de bar van het hotel. Op het einde van de avond lijkt het alsof we mekaar al jaren kennen. Ik krijg bij hem het gevoel alsof hij een soort “scoutsvriend” is, een jongen met wie je vriendschappelijk omgaat, zonder dat je er iets achter moet zoeken. Het voelt heel gemoedelijk, vertrouwd en veilig.

De tijd blijkt voorbij gevlogen, het is ondertussen al middernacht, en het lijkt mij een goed moment om de dag af te sluiten. Er zullen immers nog 2 intense dagen volgen. R. heeft nog niet veel zin om af te sluiten, maar gaat toch mee de bar uit.

Even later staan we in de prachtige lift van het hotel. Ik moet er eerst uit, R. moet nog een verdiepje hoger. Wanneer de lift met een kort belletje mijn verdieping aangeeft, en de deuren openschuiven, begint R. een beetje op zijn voeten te draaien en vraagt plots of ik geen zin heb om nog iets te drinken. Ik kijk hem aan, en de grond lijkt onder mijn voeten weg te schuiven. Mijn hart knijpt samen en ik lijk even geen lucht te krijgen. Plots zijn we niet meer alleen in de lift, maar krijg ik het gezelschap van 100’en kritische stemmen in mijn hoofd, mijn alombekende metgezel op kop. “Wat ben jij toch naïef”, “Jij bent een vrouw, en hij een man, wat had je gedacht”, “Hoe dom kun je zijn”, “Jij maar naïef denken dat er zoiets bestaat als veilige scoutsvriendjes, mannen zijn mannen”…. Dit alles in enkele nanoseconden. Het enige wat ik stamelend kan uitbrengen, is dat ik écht wel ga slapen, en niets meer wil drinken. Ik rep mij de lift uit, de deur sluit zich achter mij. De lift neemt R. en de vreemde wending met zich mee.

Totaal gedesoriënteerd probeer ik de weg naar mijn kamer te vinden. De laatste kamer, dat herinner ik mij nog. Het stormt in mijn hoofd, mijn binnenste zit in de knoop, ik hap naar lucht. Ik open de deur en sluit die snel achter mij, mijn rug tegen de deur. Wat is dit allemaal…. Ik ga naar de badkamer en bekijk mezelf in de spiegel. Door mijn ogen stralen verwijten. Waar ben ik mee bezig? Bijna 40 jaar, en nog steeds zo naïef. Ik poets mijn tanden en probeer een beetje te kalmeren. Ik ga naar mijn immense bed, en kleed me uit.

En dan gaat de telefoon. Het is middernacht, ik ben in een hotel in Dublin, niemand weet dat ik hier ben, en de telefoon op mijn nachtkastje rinkelt. Ik kijk verdwaasd naar de telefoon, alsof ernaar kijken mij meer duidelijkheid gaat geven. Ik probeer de opties te overlopen, scenario’s willen zich vormen in mijn hoofd, maar daar is de storm nog niet gaan liggen. Helder denken lukt niet meer. Dus neem ik op.

“Hello?”

(wordt vervolgd)

De onverbiddelijke maand

De ogenschijnlijke eindigheid van de tijd, de bedrieglijke lineariteit van een jaar heeft me weer liggen gehad.

In december lijkt alles op z’n einde te lopen. Rapporten worden uitgedeeld, projecten afgesloten en balansen opgemaakt. Iedereen is verjaard. De kalender heeft geen volgende maand meer. En ik krijg het gevoel van een naderende gigantische opluchting.

Maar veel tijd voor rust of contemplatie is er niet. Er moeten cadeautjes gekocht, boodschappen gedaan, kastjes opgeruimd die al sinds de zomer op het mentale huishoudelijke takenlijstje staan, nagedacht over feestmenu’s, kerstkaartjes geschreven, gefeest, verteerd, bijgeslapen,…

Het snakken naar de ademhaling, naar het op adem komen, groeit met de dag. De kalender telt af. De laatste blaadjes wachten om afgescheurd te worden.

Het voelt alsof ik op een trein zit. Een sneltrein meer bepaald. Op het einde van het jaar komt het eindstation in zicht. De trein lijkt een beetje vaart te minderen, niet veel, maar je wilt het vooral graag geloven. Daar, in dat station, zullen we stoppen, zal er rust zijn & tijd om op adem te komen. Je kijkt ernaar uit & telt mee af.

Tot je het station binnenrijdt. Je wilt een zucht van opluchting slaken. We zijn er, we hebben het gehaald. Je staat op.

Maar dan blijkt de trein niet te stoppen. Hij rijdt gewoon door & trekt weer op, tot zijn allesverslindende tempo. Je laat je in de zetel vallen. De moed zakt je in de schoenen. We zijn weer vertrokken. Zonder stop, zonder adempauze. Er was geen einde, en geen nieuw begin. Alles gaat gewoon verder. Januari, een meedogenloze maand. Onverbiddelijk & onverzettelijk.

Ik besef dat er niet zoiets is als een trein die mij ongevraagd meeneemt. Ik ben de trein, en het tempo is het gevolg van keuzes die ik gemaakt heb.

Er is maar 1 ding dat me kan redden. Niet geld, niet tijd, niet minder werken, maar gewoon 1 simpele beslissing. De beslissing om het juk van mij af te werpen. Het juk van mijn zelfopgelegde normen, de torenhoge verwachtingen, hoe ik denk dat het hoort, hoe ik me zou moeten gedragen en voelen. Het juk van het allesdoordringende verlangen naar goedkeuring, aandacht & bevestiging.

Het drukt me neer, beneemt me de adem en doet me quasi – en soms echt – hyperventilerend door mijn dagen & nachten stomen. Oud worden zonder geleefd te hebben.

Het verlangen om dit juk af te werpen is er, maar blijkbaar niet groot genoeg om te kunnen opwegen tegen de angst die aan de andere kant de boel mooi onder bedwang lijkt te houden.

Veel mensen hebben er eerst een ziekte of een groot verlies voor nodig. Ik wens mezelf en jou toe dat het niet eerst zo ver moet komen. Dat je dit jaar in jezelf de moed vindt om in vrijheid te leven, je eigen kompas volgend. Spelend & genietend.

En zo wordt de onverbiddelijke maand misschien een bron van inspiratie voor een onvergetelijk jaar.
Ik wens het jou en mezelf toe, van harte.