Monthly Archives: February 2014

Ode aan mijn lichaam

41 jaar, en voor het eerst in mijn leven kan ik zeggen “ik voel me goed in mijn vel”. Letterlijk. Het voelt alsof ik nu mijn lichaam, waar ik vroeger altijd vanaf wilde, aanvaard.

Mijn hoofd is altijd mijn veilige thuishaven geweest, mijn lichaam de grote onbekende. Zolang mensen me aanspraken in dat veilige deel, was alles ok. Ging het over de rest van mijn lichaam, dan werd het iets moeilijker en staken angst en onzekerheid de kop op.

Als kind was mijn lichaam iets dat ik enkel voelde als het pijn had. Voor de rest was het er gewoon en besteedde ik er geen aandacht aan. Het lichaam diende om mijn hoofd te ondersteunen en het op plaatsen te brengen waar ik wilde zijn. Niet meer, niet minder. Mijn hoofd was de dirigent en had de touwtjes in handen.

Gaandeweg ging mijn lichaam meer aandacht opeisen. Als puber schoot het de hoogte in en veranderde het van vorm. Plots gingen ook andere mensen er een mening over vormen, én meedelen. Over de vorm, de verhoudingen, de kleur van mijn vel,… Willens nillens moest ik er wel naar kijken. En wat ik zag, beviel me niet. Het was te anders, te verschillend van het beeld dat ik voorgespiegeld kreeg buiten mij, en dat ik zonder nadenken als norm geabsorbeerd had. Dus probeerde ik er zo weinig mogelijk naar te kijken en bleef ik hopen op een miraculeuze transformatie. Die er uiteraard niet kwam. Ik hoopte ook dat andere mensen niet zouden kijken, dat ze mij gewoon niet zouden zien. Ik probeerde onzichtbaar te zijn, maar gecombineerd met de innerlijke drang om gezien te worden (zie ook “Post-Dublin”), gaf dat vanbinnen het nodige stuif- en wringwerk.

Het innerlijke gevecht werd intenser toen ik de wereld van jongens ontdekte. En een ontdekkingstocht werd het. Spannend en opwindend, maar ook beangstigend. En ondertussen bleef ik me schamen …

Jaren later pas werd ik losgerukt uit mijn kleine navelstaarderige lichaamsbeeld. En dit door het krachtigste wat er bestaat in het leven van een vrouw: hormonen! Een leger hormonen is een macht die zich door niets of niemand opzij laat zetten. Ik moest er mijn meerdere in erkennen, ze bezetten zelfs mijn hoofd. Die plaats waar ik dacht soeverein te zijn. Tot driemaal toe heb ik mijn lichaam laten veroveren door dit leger, die er telkens ruw geschat anderhalf jaar hun tenten in opsloegen. Ik kan enkel in bewondering terugkijken op de doortastendheid waarmee je lichaam aan het werk gaat om nieuw leven te creëren, op de wereld te zetten en te voeden. Vanaf dat moment voelde ik me klein tegenover zoveel grootsheid. Ik voelde dat mijn lichaam veel meer was dan het aanhangsel dat mijn hoofd moest dienen. Ik ving een glimp op van de grootsheid en grenzeloosheid ervan…

De jaren nadien werd mijn lichaam door de mangel gehaald. Stap voor stap leerde ik het kennen als een gegeven met een ongelooflijke wijsheid. Het werd mijn kompas, mijn barometer, mijn gps. Het zei stop wanneer mijn hoofd dat niet kon. Het gaf me signalen die mijn hoofd nooit zou kunnen opvangen. Die fijne trillingen die je doen aanvoelen dat iemand je nodig heeft, dat je niet die weg, maar die weg moet nemen, dat iets je voedt, of net niet…

De voorbije jaren heeft mijn lichaam me fantastische dingen leren voelen en inzien. Hoe het gevoed wordt door dansen, aandacht en aanraking. De liefde van mijn man, de onvoorwaardelijke stroom van liefde van en naar mijn kinderen en de steun van een kring van vrouwen helpen me om sterk te zijn vanbuiten, en zacht vanbinnen. Om te luisteren naar mijn lichaam, om ernaar te glimlachen, in mildheid en liefde.

Al was ik hier al een tijd mee bezig, toch bleef het zo dat ik, wanneer ik in de spiegel keek, er anders uitzag dan hoe ik me vanbinnen voelde. Dat bleef knagen, ergens op de achtergrond. Tot ik enkele maanden geleden het besluit nam om mijn voeding onder de loep te nemen. Ondanks pogingen om bewust te worden van allerlei mechanismes waarmee ik mezelf uitputte en pogingen om die om te keren, bleef mijn lichaam zich zwaar en moe voelen. Ik liet het onderzoeken, en kwam thuis met een lijst van voedingsmiddelen die mijn lichaam niet of moeilijk kan verwerken.

Ik was er volledig klaar voor. De motivatie om mijn eetgewoonten te veranderen was torenhoog, het zat klaar in elke cel van mijn lichaam, dat al wist dat er iets niet goed zat.

Nu zijn we meer dan 3 maanden verder. De zwaarte is weg. Moe ben ik nog als ik teveel ronddool in mijn hoofd en in cirkels draaiend mezelf heb vastgezet. Maar mijn lichaam voelt licht en blij. En het mooiste van alles is: als ik nu in de spiegel kijk, klopt het beeld dat ik zie, met hoe ik me vanbinnen voel. En wil ik dansen, liefhebben, lachen, zingen en spelen.

Daarom deze ode aan mijn lichaam. Het bevat alles wat ik ooit geweest ben, wat ik ben, en ooit zal zijn. In elke cel zit wijsheid, verdriet, afwijzing, vreugde, angst, hoop en liefde. En waarschijnlijk nog meer. Het doet me beven en zweten als ik angstig ben, het draait vanbinnen als ik boos ben en lijkt te ontploffen als de boosheid aanzwelt tot woede, het krimpt samen bij verdriet en onmacht, het lijkt over te lopen met warme lava als ik smelt van liefde. Het is zo oneindig veel meer dan ik ooit gedacht heb. Daarom dank ik het, en eer het.

Advertisements

De foute date

In de reeks “waar het had kunnen misgaan” vandaag een volgend verhaal.

We zijn opnieuw in Leuven, begin jaren negentig. Mijn vriendin K. was het alleen zijn beu, en had het wilde plan opgevat om een blind date te organiseren. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor mij en een andere kotgenote.

Zelf was ik in die periode nog aan het bekomen van de breuk met mijn jeugdliefde die later, in betere tijden, mijn man zou worden. Een andere jongen was het laatste waar ik mee bezig was. Ik had het te druk met “rouwen”. Maar K. drong aan, het zou mijn gedachten verzetten, en het was toch maar om te lachen en allemaal niet zo serieus bedoeld.

Zoals wel vaker, liet ik me overhalen. K en de kotgenote zouden iemand voor mij zoeken, de kotgenote en ik iemand voor K. enzoverder… De nodige voorwaarden werden afgesproken: de date moest iemand zijn die je nog niet kende en hij moest vrijgezel zijn.

Niet veel later kreeg ik te horen dat ze iemand voor mij gevonden hadden. Ik zou die woensdagavond om 20u aan het stadhuis van Leuven moeten gaan staan, en daar zou die persoon dan ook zijn. Meer was er niet afgesproken. Tegen mijn zin, met lood in mijn schoenen, maar ook zenuwachtig, begaf ik mij die avond naar het stadhuis. Op dat moment was er een belangrijke voetbalmatch bezig, dus veel volk was er niet te bespeuren op straat.

Er was niemand te zien op de plaats van afspraak. Braaf zette ik mij voor het stadhuis, en begon te wachten. In het begin nog stilstaand, maar op de duur begon ik wat te ijsberen. De tijd ging voorbij. Na een 20-tal minuten vond ik het wel welletjes geweest, en wilde terug naar mijn kot gaan. Op dat moment was er een man in mijn buurt komen staan, die ook was beginnen ijsberen. Hij kwam op me af “sta jij hier op iemand te wachten?”

Hij was volledig in het jeans gekleed, krullen, een bril, een snor, tegen de 30 (dus opnieuw in mijn jonge ogen toen heel oud), en een vossestaart aan zijn broek. Al denk ik wel dat ik dat laatste er, Snelle Eddy-gewijs, achteraf bijverzonnen heb. Hij zei dat hij ook op iemand stond te wachten, die blijkbaar niet kwam. En of we niet samen iets zouden gaan drinken…

Mijn hersenen waren op volle toeren aan het draaien. Waar in hemelsnaam zouden K. en de kotgenote die kerel vandaan gehaald hebben? Zou dit niet één grote vergissing zijn? Maar, zei een stemmetje in mij, stel dat dit écht wel jouw blind date is, je mag niet zomaar op het uiterlijk afgaan. K. en de kotgenote zullen wel weten wat ze gedaan hebben. Dus zei ik ja.

Hij vroeg of ik iets kende in de buurt. En zo kwam het dat ik even later in de Amedee zat, een bruin café waar ze enkel klassiek muziek draaiden, met een volledig in jeans opgetrokken Snelle Eddy. Ik bestelde een fruitsap, hij een pintje. Toen wist ik dat het goed fout zat. Dit kon niet de bedoeling zijn. Ik zei dat ik even naar het toilet moest. Ik moest even gaan nadenken. Hoe kon ik me hieruit redden? Die vervelende welopgevoedheid speelde me opnieuw parten. Ik kon toch niet zomaar weggaan, of zeggen dat ik het niet leuk vond? Toch zat er niets anders op.

Mijn hart klopte in mijn keel toen ik terugliep en zei dat ik weg moest. Ik haastte me het café uit en snelde naar mijn kot, af en toe achter mij kijkend of hij me niet volgde.

Op kot gekomen repte ik mij naar de kamer van K. en ging daar flink tekeer. Waar hun verstand had gezeten om zo’n kerel op mij af te sturen. K. keek me stomverbaasd aan. Het type dat ik beschreef hadden ze niet gevraagd voor een date. Maar ze gaf wel toe dat ze bij de jongen die ze gekozen hadden voor een date met mij, enkel een briefje in de bus hadden gestoken, en niet zeker wisten of hij het wel gezien had. In het pre-gsm en -internet tijdperk kon dat nog allemaal. En zo bleek het inderdaad gegaan te zijn. H., de jongen in kwestie die ik eigenlijk goed bleek te kennen vanop de trein en die al een lief had (background check niet zo goed uitgevoerd), had het briefje niet gevonden. Dat bleek ergens beland te zijn onder reclameboekjes. Hij had de avond gezellig doorgebracht voor het TV-scherm, in de ban van het voetbal.

Maar het mooiste van het hele verhaal, is dat K. wél een fantastische blind date had. Ze zijn ondertussen bijna 17 jaar getrouwd, en het is een prachtig koppel. Die background check was iets beter uitgevoerd…

De rechtgeaarde kapper

Terugkijkend op mijn leven, besef ik dat ik van geluk mag spreken. Met mijn naïeve aard zou ik het ideale slachtoffer zijn geweest van mannen met slechte bedoelingen. Die ene handtastelijke scoutsleider daar gelaten, ben ik gelukkig nooit in situaties verzeild die me echt geschaad hebben. Al kwam het soms wel in de buurt. Onderstaand verhaal is er daar één van.

Leuven, begin jaren negentig van de vorige eeuw (probeer je bij deze zin maar eens niét oud te voelen). Ik moet zo’n 19 jaar geweest zijn. Op een mooie dag, zo is dat toch in herinneringen, stapte ik met mijn vriendin K. van de les naar ons kot. Onderweg zag ik in de etalage van een kapperszaak een briefje hangen “Modellen gezocht met halflang haar om gratis hun haar te laten knippen”. Het was ongetwijfeld vlotter geformuleerd, maar dat was wel de boodschap die ik eruit begreep. Zoals elke student krap bij kas, zag ik een extra, gratis kappersbeurt wel zitten. K. en ik gingen de zaak binnen om naar de geafficheerde “extra informatie” te vragen. De kapster wierp een kritische blik op mij en mijn haar. Echt vriendelijk was ze niet, maar uit haar korte zinnen begreep ik dat het om een avond voor kappers ging, waarbij ze enkele vrouwen nodig hadden die het ok vonden dat er iets met hun haar gedaan werd. Het was niet te voorspellen wat ze juist met mijn haar zouden gaan doen, laat staan dat ik iets kon kiezen of bestellen. En o ja, als ik het nog zag zitten, moest ik mij ook even gaan tonen in die klerenwinkel daar, want ik zou ook wat kleren moeten showen. Slik, dat werd al iets serieuzer.

De stoute schoenen had ik nu toch al aan, en die brachten mij gezwind naar de klerenwinkel. Ook daar werd er een kritische blik op mij geworpen, ditmaal niet op mijn haar, maar op mijn lengte en figuur. Een kleine stille overpeinzing later, kwam het knikje dat het ok was. Ook deze verkoopster blonk niet uit in vriendelijkheid.

Zo gezegd, zo gedaan. Op de afgesproken avond meldde ik mij in een zaaltje niet ver van mijn kot. Samen met 2 andere studentes kregen we een kleedkamer toegewezen en werd er kort uitleg gegeven. Er zou aan ons haar gefrunnikt worden en tussendoor gingen we elk een 3-tal outfits moeten tonen op een geïmproviseerde catwalk. Of we dat al eens gedaan hadden? Euh nee… Dan maar gauw een snelcursus die er geen was. Enkel de instructie “loop eens heen en weer door de gang”, een “mmm” en een korte aanwijzing hoe je juist je voeten moest zetten. Dat was het. Echt op mijn gemak was ik niet, maar terug kon ik niet meer. En om het geheel compleet te maken, moesten we – hoe kon ik daar niet aan gedacht hebben – opgemaakt worden. Vergeet naturel, jaren ’90 remember. Ik zag mezelf in de spiegel veranderen in iets dat op een karikatuur van mezelf leek, klaar om naar de eerste de beste chirofuif in laag België te gaan. Maar goed, we waren er klaar voor…

De avond begon. Het zaaltje was redelijk donker, en warm. Ik moest, gekleed in outfit 1 en met knijpoorbellen (want, oei, gaatjes in mijn oren had ik niet), plaatsnemen op een kappersstoel, op een ronddraaiend plateautje, met rond mij een 20- tot 30-tal kappers. De kapper die mij onder handen zou nemen, was duidelijk een goeroe in zijn vak. Ik verbeeld me nu dat zijn naam Frans klonk, maar de kans is groot dat ik helemaal nooit geweten heb hoe hij heette. Hij schonk geen aandacht aan mij, enkel mijn haar was het middelpunt van zijn focus. En toen begon hij… In strips van Suske en Wiske zouden ze rieken en harken en emmers cement bovenhalen. Wel ja, zo voelde het. Veel geknipt werd er niet, maar getrokken, gecrepeerd en (haarlak) gespoten des te meer. Daar stond ik dan. Mijn haar bleek zo hoog opgezet als een toren, de zijkanten plat, en vanachter steil naar beneden… Het leek wel de jaren ’80, maar dan in de jaren ’90. The worst of both worlds…

Na de kappersbeurt werd ik – zo goed en zo kwaad als dat ging zonder mijn kapsel te vernielen – nog in outfit 2 en 3 gestoken, die ik telkens, een model imiterend, op de “catwalk” moest tonen. Het was net of ik iemand anders was. Dit was ik niet, en te gek voor woorden.

En even snel als het allemaal begonnen was, was de avond plots voorbij. De kappers stoven de zaal uit, en daar stond ik, als een kermisattractie, met tonnen schmink op mijn gezicht, mijn oorlellen nog nagloeiend van de knijpoorbellen, en mijn haar op een onverklaarbare wijze in een model dat ik niet voor mogelijk achtte. Dit had niets meer met knippen te maken. De goeroe moest uiteraard indruk maken op zijn “leerlingen”, dus had alles uit de kast gehaald om te impressioneren. Met mijn haar…

Ik kleedde me terug om, wat de hele zaak nog maar erger maakte. Mijn hoofd leek toe te behoren aan iemand anders dan de rest van mijn lijf.

Ik stond daar wat te bekomen, klaar om naar huis te gaan. Blij dat het donker was, en mij afvragend welke weg ik zou nemen om zo onopvallend en snel mogelijk op mijn kot te geraken. Tot er plots een man voor mij stond: dikke snor, gouden armband, 35+ (dus heel oud in mijn ogen toen). Hij keek bewonderd naar mijn haar en zei dat hij het prachtig vond. Wat dus meteen alles zei over die man. En of hij mij niet thuis moest brengen met zijn auto. Dat het echt niet hoefde, dat ik vlakbij op kot zat, antwoordde ik. Maar hij drong aan, het was koud buiten (inderdaad), en zijn auto stond – warm- in de ondergrondse parking onder de zaal. Nog een nee en een aandringen later, gaf ik toch toe. Ik zag de lift als een kans om mij niet te moeten tonen buiten, en ik vond het ook gewoon moeilijk om nee te blijven zeggen.

Even later bevond ik mij in een -inderdaad warme- auto, een Mercedes om precies te zijn. De man met de snor en het gouden armbandje nam onderuitgezakt plaats op zijn stoel en startte de wagen. Ik had al dik spijt dat ik ja had gezegd, en vroeg mij af wat ik kon doen als hij slechte bedoelingen zou blijken te hebben. Ik hield mijn adem in. Waar ik dan op kot zat? Ik wees hem de weg, mij terwijl voor haar hoofd slaand dat ik mij in deze situatie gebracht had. Ik zag eruit als de eerste de beste straatbloem, en zat naast een louche kersmistype in een dikke Mercedes, door de Leuvense nacht te zoeven. Ik keek door het autoraampje en voelde me opgesloten. Daar buiten wou ik zijn! Waar zat mijn verstand?

Twee straten verder stopte hij voor mijn kot. Oef, de redding was nabij. Enkel nog de deur openen en uitstappen. Terwijl ik hem bedankte voor de lift, de deurklink in mijn hand, legde hij zijn hand op mijn bovenbeen. Of ik niet nog zin had om iets te gaan drinken met hem. Ik kreeg er nog net een “nee, dank u” uitgeperst (beleefd tot de laatste snik), en haastte me de auto uit. Nooit zo blij geweest om de koude avondlucht te kunnen inademen, als toen.

Ik stormde mijn kot binnen, ondertussen mij al niet meer bewust van mijn kapsel en gezicht, recht naar de kamer van mijn vriendin K. Toen ik buiten adem binnenkwam en aan mijn verhaal wou beginnen, zag ik K.’s gezicht in een lachkramp schieten. De eerste 10 minuten kwam ze niet meer bij van het lachen, terwijl ik stond te popelen om mijn “bijna-aanrandverhaal” te vertellen.

Het leed was snel vergeten. Een douche later was mijn haar weer min of meer om aan te zien. En het verhaal blijft er een om bij te glimlachen. Gelukkig maar…