Monthly Archives: March 2014

De aanval

Dat angst rare dingen kan doen met je lichaam, wist ik al. Maar wat het met me deed in onderstaand verhaal, verraste zelfs mij.

18 december, een week voor Kerstmis, 7 jaar geleden. Ik werkte sinds een 3-tal maanden in een voor mij totaal nieuwe omgeving. Mijn baas vroeg me om enkele dagen later – voor het eerst – mee naar een klant te gaan. Dat het leuke werk enkel op mijn bureau terecht kwam bij gratie van een klant die daar geld voor over had, leek op dat moment nog niet helemaal tot mij doorgedrongen te zijn. Hoog tijd dus om een stapje in de “echte” wereld te zetten.

Probleem nr. 1, en tevens dé hamvraag die menige vrouw zich ’s morgens stelt: “wat zal ik aantrekken?”. Doembeelden van hooggehakte vrouwen in mantelpakjes bevolkten mijn gedachten. Mantelpakjes, laat staan pakjes, waren er in mijn kleerkast niet te vinden. Leuke kleren, dat wel, maar of ze geschikt waren voor de omgeving van “de klant”? Het enige kledingadvies dat ik van mijn baas gekregen had, was “geen jeans”. Dat liet dus nog heel veel ruimte… Ik ontwaarde onderaan in mijn kast een lange rok die mijn moeder jaren geleden genaaid had. Het was een mooie, kleurrijke rok. “Van een dure en exclusieve stof”, hoorde ik mijn moeder nog zeggen. “Duur” en “exclusief”, dat leek me wel te passen bij de gelegenheid. Die rok zou het worden. Dat hij, 3 zwangerschappen later, een beetje spande in de taille, nam ik erbij.

En zo stond ik op de bewuste dag klaar, met mijn kleurige, lange, knellende rok,  en voor de rest gepakt en gezakt met de nodige vooroordelen (“alle klanten zijn hyperintelligent”), mijn imposter syndroom stevig onder de arm (= de angst om ontmaskerd te worden), broederlijk naast mijn faalangst, de angst voor het onbekende en de overtuiging dat ik niet veel voorstelde. Een gevaarlijke cocktail voor de missie waar ik voor stond.

Mijn baas en ik stapten firma X binnen en wachtten op de klant. Ik had me er al veel voorstellingen van gemaakt, maar wat er toen op ons afstapte was het laatste wat ik me ingebeeld had: een knappe, stoer ogende, jonge kerel. Het leek of hij net van zijn paard was gestapt. “Marlboro man”, flitste het door mijn hoofd. Een beetje ontzet door deze eerste verrassing volgde ik de klant en mijn baas naar een bureauruimte, waar we met ons drieën aan een mini rond tafeltje gingen zitten. De laptop van de klant, mijn uit de kluiten gewassen A4 schrift en de nota’s van mijn baas: het was een beetje puzzelen om alles erop te krijgen. En zo zat ik dus, met links van mij de Marlboro man, en rechts mijn baas, op een manier die ik in andere omstandigheden “gezellig” zou hebben genoemd, maar nu vooral benauwend was.

Bovendien was het warm in het lokaaltje en bleek mijn wollen rolkraagtrui toch niet de meest geschikte keuze geweest te zijn. De baas van de Marlboro man stak even zijn hoofd binnen. Hij schudde handjes, gooide wat flauwe grapjes in het rond en probeerde vooral heel erg uit te stralen dat hij niet moest onderdoen voor zijn poulain, en minstens even jong, flexibel en eigentijds was. Ik haalde mijn beleefdste glimlach boven, en deed mijn best het groene er vanaf te poetsen. Aangezien mijn opdracht in de eerste plaats was om te zien, te luisteren, te noteren en alles in me op te nemen, deed ik er maar het zwijgen toe. Zo snel als hij binnengekomen was, was hij ook weer weg.

De Marlboro man en mijn baas hernamen hun gesprek. Ik luisterde en noteerde. Maar ondertussen begon ik me steeds benauwder te voelen. Het was namiddag, en mijn rok was nog harder gaan spannen dan in de ochtend. De warmte maakte me misselijk, ik zweette en tot overmaat van ramp kreeg ik buikkrampen. Alles deed pijn in mijn buik. Ik probeerde rechtop te blijven zitten en niet te bewegen. Te wachten tot de pijn voorbij zou gaan. Ik durfde bijna niet te ademen, bang voor de pijn, bang voor het misselijke gevoel, mijn keel ondertussen zover dichtgeknepen dat ik geen lucht meer leek te krijgen. Het enige wat ik kon denken was “Niet. Ziek. Worden. Nu. Niet. Nu. Recht. Blijven. Zitten. Gewoon. Voortdoen”

De pijn, de benauwdheid, het gebrek aan lucht, alles leek samen te komen en naar mijn hoofd te stijgen. Ik probeerde me af te splitsen van mijn lichaam. Om de pijn niet te voelen, om gewoon verder te blijven noteren, alsof er niets aan de hand was. Er volgde een zweetuitbarsting, als een koortsopstoot en het werd zwart voor mijn ogen. Ik fluisterde nog snel “Ik… voel… me … niet… goed”, zakte in mekaar en donderde de stoel af.

Het volgende dat ik weet is dat de Marlboro man en mijn baas me naar de ruimte ernaast hadden gebracht waar er “meer lucht” was. Ze hadden me op de grond gelegd met mijn benen omhoog, tegen een tafel aan. Het eerste en enige dat ik kon bedenken toen ik terug bij bewustzijn was, was “mijn rok mag niet afzakken”. Ik had onder mijn (heel) lange rok lekker warme kniekousen aangedaan, die dus, de naam suggereert het al, maar tot de knie reikten. De ergste nachtmerrie was niet dat ik daar op de grond lag, maar dat mijn rok tot aan mijn middel naar beneden zou zakken. Gelukkig had mijn toegewijde moeder een lekker warme stevige zwarte voering in mijn rok genaaid, want de stof zelf was, naast duur en exclusief, ook een beetje doorschijnend. En die voering bleef tot mijn grote opluchting in mijn winterkousen hangen.

Gerustgesteld door de stand van mijn rok, kon ik nu mijn aandacht richten op mijn lichaam. Daar begonnen zich heel vreemde dingen voor te doen. Mijn vingers verstijfden en dat gevoel begon traag maar zeker langs mijn onderarmen naar boven te kruipen. Ook mijn mond kon ik moeilijker bewegen. Ik probeerde dit uit te leggen, zo goed en zo kwaad als ik kon. Mijn baas en de klant wisten niet meteen wat gedaan, en belden de medische dienst op (lang leve de multinationals, met een eigen medische dienst onder hun dak). De olijke baas van mijn klant voelde zich niet te beroerd om nog eens zijn hoofd binnen te steken en een flauwe mop te lanceren “Tja, ik weet het wel, alle vrouwen vallen flauw van mijn charmes”. Mijn mond was ondertussen zo verstijfd dat er enkel een groene grijns afkon, wat ik prima vond.

Niet veel later kwam er een perfect medisch uitgedoste man de kamer binnengestormd. Grote tas aan de hand, helemaal zoals in het plaatje. Na een korte briefing door klant & baas, begon de ijverige (para)medicus de ene vraag na de andere op mij af te vuren. “Ben je zwanger?”, “Heb je dit al meer gehad?”, “Heb je epilepsie?”, “Neem je voorbehoedsmiddelen?” Waar ik bij de eerste vragen nog ijverig nee had geschud – mijn mond en tong waren ondertussen zo verstijfd dat ik niet meer kon praten – maakte ik bij die laatste vraag duidelijk dat ik die liever niet beantwoordde met de mannen in de kamer. Dat werd me wat te persoonlijk. Baas en klant hadden maar een knikje nodig, en haastten zich de ruimte uit.

De arme man wist niet wat te doen. Op al zijn vragen had ik nee geknikt, en hij wist het ook niet. De verstijving trok ondertussen nog verder, en heel mijn bovenlijf en gezicht waren verkrampt. Mijn onderarmen stonden half rechtop met mijn vingers in de vreemdste bochten verkrampt. Hij besloot om de hulpdiensten te bellen. Geen gewone ambulance, nee meteen een MUG, met een urgentie-arts erbij. Het was indrukwekkend. Nog geen 5 minuten na het telefoontje hoorden we de sirenes de parking opdraaien. Voor ik het wist stormde de MUG ploeg de kamer binnen. Het vreemde was dat de verstijving in de tussentijd aan de weg terug begonnen was. Alles was in de omgekeerde richting terug beginnen ontspannen. Ik lag nog steeds op de grond. Opeens keek ik recht in de mooie, blauwe ogen van de spoedarts. Het waren vertrouwde ogen. Ik knipperde eens en probeerde uit te zoomen op het gezicht dat vlak boven het mijne hing. De ogen bleken te horen bij A., een meisje (nu vrouw en dus spoedarts) waar ik vroeger mee op balletles zat. Ik wist dat ik veilig was. Ze was toen al een ongelooflijk stabiele doordrijver, geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Bij haar was ik in goede handen, zoveel was zeker.

Dokter A. vuurde dezelfde reeks vragen op me af, waar ik opnieuw ontkennend op antwoordde. Ondertussen werd de draagberrie opengeklapt. Ik probeerde wat luchtig te zijn, en zei dat ik waarschijnlijk best wel zelf kon stappen. Maar daar was geen sprake van. Ik werd op de draagberrie getild. Mijn baas legde zorgzaam mijn jas over mij, want buiten zou het kou zijn. En zo werd ik naar buiten gerold, door dezelfde “sluis” waar ik die namiddag enkel met een badge door was kunnen gaan. De wereld opende zich opeens vanzelf.

Van de rit in de ambulance herinner ik me vooral de koude, de harde vering, het ongezellige plafond, maar ook de babbel die ik had met A. Je kan het moeilijk omschrijven als een warm gesprek, maar toch deed het goed even met een vrouw te kunnen praten met wie je geschiedenis deelt.

Op de spoeddienst aangekomen, stond mijn baas al klaar. Hij was met zijn auto achter de ambulance aangereden. Ik werd in een kamertje gereden, waar men bloed van mij afnam. Ook met een gemene holle naald, om arterieel bloed te kunnen tappen. Een beetje venijnig, maar dat kon me niet deren. De arts en verpleegkundigen waren weg met mijn staaltjes bloed, mijn baas stond nog even te dralen, nog onder de indruk van het gebeuren. Ik overtuigde hem om terug te gaan naar het werk, ik zou me wel redden. Nog een telefoontje naar huis, opvang geregeld voor de kinderen, en toen kwam de grote rust. Daar lag ik: stil op een harde tafel achter een gordijn op de spoeddienst, en het enige wat ik kon denken was “eindelijk rust”.

Dat gevoel van intense opluchting zal ik nooit vergeten. Alles was geregeld, ik moest niets meer doen, enkel liggen en wachten. Het is alsof ik die tijd (minuten? uren?) ergens zweefde tussen hemel en aarde, tussen slaap en waak. Ik liet me wiegen op de golven van het niets.

Het verdict kwam niet veel later: hyperventilatie-aanval. Ik had er nog nooit van gehoord, wel van die naam, maar daar had ik mij altijd hevig ademende mensen bij ingebeeld, niet zo’n stille sluiper die je van binnenuit overvalt en onderuit haalt.

Als ik nu nog eens de Marlboro man tegenkom, gaat het geheid over onze eerste ontmoeting. Dat ik een verpletterende indruk op hem gemaakt heb. Ik lach dan vrolijk mee, maar ergens schrijnt het ook als ik eraan terugdenk: hoe de angst me zo in zijn greep had, niet alleen die dag, maar al die jaren in mijn leven. Hoe ik niet durfde zeggen wat ik voelde, vanuit het gevoel minder waard te zijn, vanuit de overtuiging dat mijn behoeftes sowieso op een later plan kwamen. Nu probeer ik ernaar te kijken met mededogen, en probeer mezelf te beloven mezelf nooit meer zo neer te halen. De tijd is gekomen om er te staan. Vanuit mijn eigen kracht, met mijn eigen grenzen en beperkingen, mijn eigen verlangens en behoeftes. Helemaal mezelf.

x

Advertisements