De blik

“Ik wens je toe dat je jezelf zou kunnen zien met de blik waarmee anderen je zien.” Dit wensten 3 mensen, los van mekaar, me op enkele weken tijd toe. “Je zou verbaasd staan”, zei iemand. “Ik zou het niet geloven”, antwoordde ik.

Al heel mijn leven voel ik me onzichtbaar. Terwijl ik als kind en jongere rondliep met een enorme behoefte om gezien te worden, voelde ik me tegelijkertijd onzichtbaar, als lucht. Ik betrap er mij nog op. Zeker in een groep. Of als ik mij heel erg instel op een persoon bij wie ik ben en dan een glimp opvang van ons spiegelbeeld in een raam of spiegel. Meestal verrast het mij om mezelf te zien. Alsof ik verwachtte in het gespiegelde beeld enkel een leegte te zien naast die andere persoon.

Heel lang had ik geen idee van wie ik was, of wat mijn waarde was. Ik kwam erachter dat ik al heel mijn leven rondloop met de diepgewortelde overtuiging geen bestaansrecht te hebben. Hoe ik het gevoel had per ongeluk aan boord van het leven terecht te zijn gekomen, als een verstekeling. En dan zorg je maar beter dat je onzichtbaar bent. Tot iemand je ziet…

Voor een overrompelend moment van onverwacht gezien worden, neem ik u graag mee naar Parijs, begin jaren 90. Ik verbleef 7 maanden in die stad, om een stage te doen voor mijn opleiding. Parijs is de stad bij uitstek voor anoniemen en onzichtbaren. Op straat kijkt niemand je aan. Ook garçons, winkelbediendes of mensen aan het loket gunnen je geen blik waardig. De enigen die je soms aankijken, maar dan enkel tersluiks, zijn bedelaars. Een prachtige, onbarmhartige stad. Mensen zitten en lopen naast mekaar, elk in hun eigen gedachtentunnel, met de blik op oneindig. Contact niet gewenst. Het paste perfect bij hoe ik me toen voelde.

Ik woonde in het “Maison des Belges”: zoals de naam al suggereert, een huis voor Belgische (en Luxemburgse) studenten. Tussen de honderden bewoners liepen uiteraard een paar opvallende figuren rond. Zo had je een Mozart-achtige Luxemburger die een virtuoze muzikant zou zijn (zo vertelde men toch) en die net als de meeste andere van zijn landgenoten in een blitse sportkar rondreed. De Luxemburgers waren niet sterk vertegenwoordigd, maar opvallend waren ze wel. Dan had je nog enkele ambitieuze architectuurstudenten uit Antwerpen, een bosje vrolijk feestende rechtenstudenten uit Leuven, wat eigenzinnige Walen,… Er was ook een kleine psychologiestudente die altijd met een onverschillige blik rondliep en om de haverklap een andere vriend had. Altijd andere, maar wel altijd zwart. Voor haar geen blanke jongens, zo verkondigde ze telkens aan iedereen die het al dan niet wilde horen. Kortom, een boeiende mengelmoes van mensen. En ik woonde daartussen. Ik voelde mij vooral heel gewoon, en heel grijs.

Een andere figuur die opviel, was Pierre. Hij was een waanzinnig knappe kerel die zo uit een reclamecampagne geplukt leek. Hij viel niet alleen op door zijn looks en zijn air van onaantastbaarheid. Hij hulde zich zonder uitzondering in een mysterieus stilzwijgen én in een wolk van parfum. Hij liep altijd alleen, nooit zag je hem met iemand praten. Je zag of hoorde hem niet aankomen, maar rook het wel wanneer hij gepasseerd was. Soms leek het wel of hij niets anders deed dan in de trappenhal rondstappen, want daar hing de geur van zijn parfum opvallend vaak. Hij sprak met niemand, zei niemand goeiedag. Pierre had door zijn houding de status van een half-god bereikt. In de top tien van onbereikbare jongens stond hij op 3, net na Johnny Depp en Brad Pitt. Pierre dus.

Op een avond ging ik met enkele huisgenoten naar een fuif in één van de andere huizen op de campus. Zowat elk land had er een huis. Geen idee meer in welk huis het was, maar bij het binnenkomen van de zaal, had ik er eigenlijk al geen zin meer in. Er was veel volk, het was er warm en druk. Zoals zo vaak zette ik me aan de kant en keek rond. Ik zat helemaal in mijn rol van toeschouwer en voelde me volledig onzichtbaar. Dat stoorde me niet, want zo had ik de illusie dat niemand me zag.

“Bonsoir”. Plots, vanuit het niets, stond Pierre voor mijn neus. En dat bedoel ik letterlijk. Hij stond zo dicht voor mij, dat onze neuzen mekaar bijna raakten. Ik schrok en schuifelde wat achteruit. Veel plaats had ik niet, want ik had de hele tijd al bijna tegen de muur gestaan. Hij schoof mee op en keek me recht in de ogen. Hij vroeg hoe ik heette. Ik schuifelde nog wat verder, maar mijn hielen stonden al tegen de muur. Ik voelde mijn benen trillen. Wat deed Pierre hier? En waarom begon hij tegen mij te praten? Ik keek rond, maar zag niemand bekend. Plots hief hij zijn armen op en plantte zijn beide handpalmen tegen de muur, aan weerszijden van mijn gezicht. Alles in mijn lichaam brulde “alarm!”. Nu nog kan ik de beweging voelen die dat moment opkwam in mijn lichaam: bukken, onder zijn arm doorglippen en kei-hard weglopen. Maar ik bleef staan. Stokstijf, maar bevend van kop tot teen. Het zweet liep van me af. Ik drukte mezelf nog wat meer tegen de muur. Ik prevelde stilletjes of hij niet een beetje achteruit kon gaan. Hij beantwoordde mijn veel te stille en eerlijke vraag met een grijns en een wedervraag: “Waarom? Vind je het niet fijn?” Te stil, te braaf. Of misschien net niet. Want terwijl alles in mij schreeuwde om mij uit de voeten te maken, was er ook een stuk van mij dat dit geweldig vond. Dé knappe Pierre stond voor mijn neus, in mijn ogen te kijken en leek interesse te tonen in wie ik was…

De pijn van het niet voor mezelf opkomen, schrijnt nog als ik eraan denk. De schaamte ook, dat ik zo gemakkelijk over mijn grenzen liet gaan. De mogelijkheid dat ik ook een stem had die evenveel waard was als die van de andere, was iets dat in die levensfase niet in mij opkwam. Ik stelde niets voor, had geen bestaansrecht, dus mocht al blij zijn als iemand mij eens aandacht gaf. Ook als dat op zo’n – achteraf gezien – grensoverschrijdende manier was. Eraan terugdenken geeft me een verdrietig gevoel. Zo alleen, zo zoekend, …

Als kind was één van mijn favoriete onderwerpen om mee in slaap te vallen, fantaseren over mijn begrafenis. Ik had geen idee wat ik voorstelde en of er wel iemand van me hield. Ik beeldde me in dat ik (pijnloos) zou sterven, en keek dan toe hoe het er op mijn begrafenis aan toe zou gaan. Wie zou er zijn, wie zou wenen, wat zouden ze over mij zeggen… allemaal om maar te weten komen wat ik nu eigenlijk voorstelde. Het stelde me ergens gerust, want ik had nog nooit gehoord van een begrafenis waar niemand weende, dus nam ik aan dat er ook op mijn begrafenis toch een paar tranen zouden vloeien. Het is een uitermate genante herinnering, maar het tekent voor mij mijn verlangen naar “feedback” van de buitenwereld over hoe ik ben.

Een andere manier om iets over mezelf te weten te komen, was om mijn kamer binnen te stappen en rond te kijken met de ogen van iemand anders. Dat deed ik geregeld. Ik kwam dan als “vreemde” binnen en nam de kamer met een onderzoekende blik op. Hoe netjes of rommelig was het? Welke posters hingen er? Hoe gezellig zag het eruit? Alsof ik zo iets meer te weten zou komen over wie ik was…

De blik waarmee ik naar mezelf kijk, is meestal streng, en soms ronduit vernietigend. Niets, geen spaander blijft dan heel. Vroeger gebeurde dit onbewust, ondertussen besef ik meestal, maar vaak pas achteraf, dat ik dit doe, en dit maakt me triest. Hoe oud moet ik nog worden vooraleer ik met een mildere blik naar mezelf zal kijken? De milde blik waarmee ik naar de mensen in mijn omgeving kan kijken. Wanneer zal ik die op mezelf kunnen richten? Wanneer vind ik het mezelf waard om me met mededogen te bekijken? En tegelijk wil ik geen mededogen. Ik wil absolute perfectie…

Het maakt me niet alleen triest. Soms maakt het me ronduit woest. Dan loop ik briesend rond. Maar de stoom die uit mijn oren zou moeten komen, slaat naar binnen. Niemand die het ziet. Zoveel ingehouden boosheid. Ik weet en voel dat dit niet goed is, maar mis de “goedkeuring” van mezelf om dit mogen tonen.

Ik besef, nog maar eens, dat de enige weg naar aanvaarding van mezelf, stoppen met vechten is. Soms denk ik dat ik gestopt ben, maar dan blijkt het achteraf gewoon een adempauze te zijn, omdat ik het even beu was. Tot weer die koppige doorduwer in mezelf opstaat, die blijft geloven dat ik nog kan veranderen. Als ik dit, of als ik dat, dan word ik misschien de mens die ik hoop te zijn. Iemand zonder gebreken, die het waard is om te leven. Alsof perfectie me het visum tot het leven zou geven.

Ik hoop op een dag mezelf in mijn volle glorie te kunnen zien, ontdaan van alle valse ideeën en vervormende gedachten over mezelf. In mijn pure zijn.Ik heb er al glimpen van opgevangen, in uiterst veilige omgevingen zoals een vrouwenweekend of de Liefdesbang cursus. Ik zie het weerspiegeld in de blik van zij die mij graag zien. Nu nog geloven dat dit even echt is als mijn negatieve overtuigingen die me zo kunnen neerhalen.

Mijn wens voor u en mezelf: een milde blik, een warm hart en veel aanvaarding dat je er mag zijn. Puur en helemaal.

x

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s