Overgave

Overgeven is niet mijn sterkste kant. Niet in de betekenis van de touwtjes loslaten, maar vooral niet in de betekenis van de handeling die je moet doen als je misselijk bent. De dag dat dit voor het laatst gebeurde, in de tweede betekenis, is 20 jaar geleden. Het was 31 maart 1995. De persoon die mij daar toen bij geholpen heeft, heette Tom.

Ik neem u graag nog eens mee naar Parijs. Naar het huis met Belgische en Luxemburgse studenten waar ik toen woonde. In de loop van de maanden dat ik er verbleef, ontstonden er vele vriendschappen. Ik leerde er A kennen, die nu, 20 jaar later, nog altijd een goede vriendin is. Het klikte meteen. Ik wist bij onze eerste ontmoeting dat dit een blijver zou zijn. Het voelde onbegrijpelijk dat we mekaar nog niet eerder hadden leren kennen. Het leek bedoeld dat wij in mekaars leven zouden komen. En dat zijn we nog steeds.

Beide op dat moment aan het bekomen van een stukgelopen relatie op het thuisfront, zochten we mekaar vaak op, gezellig op de kamer, of samen wandelend door de straten van Parijs. Op zoek naar schoonheid, troost en warmte, en dé trouwjurk waarin we ooit zouden trouwen, moest de ware toch ons pad (opnieuw) kruisen.

A introduceerde me ook bij het vriendengroepje waar zij mee optrok in het huis. Tom was één van die vrienden. Hij was een grote, roodharige, ietwat onbehouwen, uit West-Vlaamse klei opgetrokken rechtenstudent. Tom was vurig, gepassioneerd, koppig, eigengereid en idealistisch, één brok energie. Hij stapte niet door de gang, hij banjerde erdoor (Banjeren is een woord dat ik nooit gebruik, enkel bij Tom vind ik het perfect passen). Hij zag er wat ruw uit, met een gezicht dat met grote halen uit een blok gebeiteld leek. Tom was geweldig om mee op te trekken: hij was slim, gevat en snel, altijd alert en klaar om te discussiëren. Never a dull moment als hij in de buurt was.

Op een avond zaten we met een 10-tal mensen op de kamer van Tom, te praten en iets te drinken. Het ging er gezellig aan toe. Opeens zei Tom “Mannen, ik moet iets zeggen… Ik ben strontverliefd, op iemand uit het huis. En jullie mogen raden wie.” De stemming werd op slag uitgelaten. Dit vonden we leuk: we woonden met honderden in het huis, dus de zoektocht beloofde leuk te worden. De vragen werden op Tom afgevuurd, hij antwoordde enkel met ja of nee. Ik had ook meteen een paar kandidaten in mijn hoofd, maar die bleken het niet te zijn. Toen plots duidelijk werd dat het zoekbereik vernauwd werd van het huis, naar het groepje dat in de kamer zat, werd de sfeer iets gedrukter. Het werd serieus nu.

“Heeft ze een rood bloesje aan en zit ze op je bed?” vroeg iemand. “Ja”, antwoordde Tom. Ik sloeg mijn blik naar beneden om te zien wat ik eigenlijk al wist: ik had een rood bloesje aan en zat op zijn bed. Ik keek Tom verbouwereerd aan. Dit had ik niet zien aankomen. Zijn ogen glansden, de blik zacht, vragend en een beetje verdrietig tegelijk. “Meiske, ik ben zot van u, strontverliefd, tot over mijn oren… maar ik weet dat het niet wederzijds is”. Alles in mijn lichaam leek naar mijn voeten te zakken. Het was stil in de kamer. Niemand bewoog. De blikken gingen van Tom naar mij. Ik voelde hoe ik zo graag zou antwoorden “maar nee Tom, je vergist je, het is wél wederzijds”. Ik wilde niemand pijn doen. In de milliseconden die voorbijgingen, zocht ik razendsnel in mezelf, maar kon geen sprankeltje verliefdheid vinden. Hij had gelijk, het was niet wederzijds, niet op die manier. Ik vond Tom geweldig, maar hij was diametraal tegenovergesteld aan het type jongen waar ik op viel. Bovendien lag mijn hart nog bij iemand anders, op het thuisfront. Ik voelde spijt en zelfs een steek van jaloezie naar de vrouw die later met hem haar leven zou delen. Zij zou altijd een trouwe, stoere krijger aan haar zijde hebben, die voor haar door het vuur zou gaan. Maar ik zou dat niet zijn.

Het mooie was dat zijn verliefdheid onze vriendschap niet in de weg stond. We bleven optrekken en plezier hebben. Hij was voor even mijn stoere krijger-vriend die het voor me opnam als het nodig was. Hij toonde zich een trouwe en loyale vriend, bij wie ik me veilig voelde.

De weken gingen voorbij en het einde van mijn periode in Parijs kwam in zicht. Op 1 april zou ik terug naar huis gaan. Het plan was om als afscheid de laatste avond met wat mensen iets te drinken op de kamer van Tom. Mijn kamer was leeg en opgeruimd, en met enkel mijn pakken en zakken, was de ziel er al uit.

Op die laatste dag werd ik ziek. Ik had koorts en was misselijk. Het feestje op de kamer van Tom ging door, maar zonder mij. En terwijl ik ziek in mijn bed lag, kwam Tom langs. Hij kwam op mijn bed zitten, niet bang voor virussen. Een stoere krijger, ik zei het al. Hij was lief en bezorgd. Ik voelde dat overgeven zou kunnen helpen om de misselijkheid te verlichten, maar mijn weerstand was reuzegroot. Tom gaf alle tips die hij door zijn jarenlange ervaring van stevig uitgaan en goed ziek zijn vergaard had. Hij bleef me aanmoedigen en bood zelfs aan om bij mij te blijven als ik het zou proberen. Zover wilde ik niet gaan, dus ging hij terug naar zijn kamer. Hij heeft me die avond nog een paar keer gebeld (gsm’s bestonden toen nog niet, maar elke kamer had een telefoon waarmee je naar mekaar kon bellen). Gesteund door zijn vertrouwen, is het mij die avond toch gelukt. En dat was meteen de allerlaatste keer, die door de speciale omstandigheden in mijn geheugen gegrift staat.

De dag nadien stonden mijn ouders aan de deur om me te komen halen. Het was stil in het huis. Tom stond in de trappenhal, klaar om afscheid te nemen. De blik in zijn ogen was zacht maar vastberaden, klaar om dit af te sluiten. We omhelsden mekaar lang en stevig. Mijn ouders wurmden zich met lichtjes gegeneerde blik langs ons heen met mijn laatste dozen en zakken.

“Hou je goed meisje”. “We zien mekaar nog”, hoorde ik me zeggen. Maar sinds die eerste april 1995 heb ik Tom nooit meer gehoord of gezien. Hij woont en werkt in het buitenland en is quasi onvindbaar in cyberspace. Ik kan het hem dus niet schrijven. Hoe dankbaar ik ben, nog steeds, voor zijn loyale vriendschap toen. Ik had nog nooit échte mannenvriendschappen gekend tot dan toe. Jongens waren ofwel een broer, een scoutsmaatje (wat ongeveer hetzelfde was als een broer) of een (ex)lief. Een jongen als vriend had ik nog nooit gehad. Tom was de eerste. En die zal ik nooit vergeten.

x

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s