Verzoeknummer

Ze had een verzoeknummer voor mijn blog, zei ze. Of ik niet een keer wilde schrijven over mijn man, hoe we mekaar hadden leren kennen en zo. Ze zei er benieuwd naar te zijn na het lezen van de verhalen op mijn blog.

De vraag kwam zo onverwacht, maar oprecht, dat ik even stilviel. Ik voelde hoe de vraag een klein luchtgaatje maakte in het onafgesproken cordon in mijn hoofd dat ik niet schrijf over mensen in mijn directe omgeving die ik onvoldoende kan anonimiseren. Het gaatje bracht lucht, inspiratie en herinneringen binnen. Dus, E., hier is je verzoeknummer:

Het is januari 1990. Op papier ziet dat er erger uit dan het was. Het leven verliep al in kleur toen. Al kon ik toen onmogelijk weten dat mijn leven achteraf gezien tot dan nog redelijk monochroom verlopen was. Ik was bijna 17 en dacht de wereld goed te begrijpen, of toch dat kleine stukje ervan dat wij kenden in de stille Kempen, met maar een handvol televisiestations, muziek op cassetjes en klas- en scoutsfuiven op fietsafstand. Om die wereld te snappen had ik het onderverdeeld in hokjes. Naar het schijnt een normale menselijke reflex. Ik leefde gelukkig en naïef in mijn netjes afgebakende wereld. Elke ochtend om 6u40 uit bed, voor de 10 minuten badkamertijd die voor mij gereserveerd was in de ochtendspits van een gezin met 4 pubers, en elke avond om 21u15 er weer in. Meestal moe maar voldaan. Mijn wereld speelde zich af op school bij mijn vriendinnen, thuis en op zaterdag bij de scouts. Dat was het. De tijd daartussen bracht ik door in boeken. Ik verslond ze en genoot intens van de andere werelden en tijden waar ze mij in meenamen.

In mijn dagdromen had ik de ideale jongen al samengesteld: hij zou bruine krullen hebben (maar dat was bijzaak), het voornaamste was dat hij sociaal, lief en grappig zou zijn (en gitaar kon spelen). De eerste verkenningen brachten mij bij jongens die nog niet in de buurt kwamen van dit ideaalbeeld. Ook al ging ik er vanuit dat die ideale kerel met zijn krullen niet bestond, toch vroeg ik me soms af hoe het moest gaan als zou blijken dat die jongen wél bestond, maar bijvoorbeeld in Canada zou wonen. Dat zou zo jammer zijn.

Ondertussen waren er bij ons op de middelbare school enkele jongens gestart. Die school, al meer dan 100 jaar een bastion van meisjes, liet voor het eerst jongens toe. Omdat het moest. Op de ongeveer  2000 meisjes (in grijze uniformrok) viel het 30-tal jongens hard op. Het duurde dan ook niet lang vooraleer we ze allemaal geïdentificeerd hadden. Wij, dat zijn mijn vriendinnen en ik. In de kunstklas van ons jaar zaten 3 jongens. Eén ervan was heel opvallend, met donkere krullen en een brilletje, de andere kende ik vanuit ons dorp en de derde was zo onopvallend dat hij meteen in het hokje “grijze muis” terecht kwam.

Die grijze muis bleek net als ik klasverantwoordelijke te zijn en dus kwamen we samen in het leerlingenparlement terecht. Hij had daar ook al gezeten in het 5e middelbaar, net als ik, maar ik vond hem zo grijs en ogenschijnlijk saai, dat ik geen minuut aandacht aan hem besteed had. Ik wist zelfs niet hoe hij heette (wat opmerkelijk was, aangezien ik bijna alle namen kende van het 300-tal leerlingen van ons jaar). Ik noemde hem “die van kunst met zijn blauw sjaaltje”.

In de winter van het laatste middelbaar zaten we in een vergadering van het leerlingenparlement en werd er een onderwerp aangehaald dat we het jaar ervoor al besproken hadden. Als anciens van het leerlingenparlement, gingen die van kunst met zijn blauw sjaaltje en ik daarop in. Voor het eerst keek ik hem aan, en voor het eerst hoorde ik zijn stem. Hij wees naar mij en vertelde tegen de groep wat ik daar vorig jaar over gezegd had. Ik was met stomheid geslagen. In mijn hokje van grijze muis had ik meteen alle voor mij logisch lijkende eigenschappen op hem geplakt: hij was – in mijn ogen – ongeïnteresseerd (want zei niet veel), luisterde waarschijnlijk niet naar wat er gezegd werd en zat daar zonder twijfel tegen zijn zin. Maar toen hij begon te spreken, was het alsof er een licht op hem ging schijnen. Het grijze, vlakke silhouet kreeg kleur en diepte.

Nadien begonnen we te praten, met 2. Hij bleek mooie ogen te hebben, waarmee hij indringend kon kijken. Ik vond het wel een beetje een rare jongen, ongewoon, maar mijn interesse was gewekt. Een paar dagen en heel wat opgewonden gesprekken met mijn vriendinnen later, was de interesse opgelaaid tot een ware verliefdheid. Helemaal volgens het boekje: voortdurend aan het kijken waar hij was, of hij naar mij keek, een horde vlinders en ander fladderend gewapper in mijn buik,…

De eerste afspraakjes hebben we uren gepraat en in mekaars ogen gekeken. Ik las graag, en hij bleek zoveel andere boeken gelezen te hebben, die ik dan meteen enthousiast in de bib ging zoeken (zo leerde hij me Herman Hesse kennen – verslonden heb ik die boeken). Ik luisterde graag naar muziek, hij bleek een muzieksmaak te hebben die zo breed was dat er geen begin en geen einde aan was. Hij nam voor mij cassetjes op met muziek die ik vaak vreemd, maar ook prachtig vond. Bijna alles was nieuw. Hij was creatief, grappig en intelligent. Hij schreef poëzie waar ik met mijn hoofd niets van begreep, maar die mijn ziel raakte. De jongen die ik zo gemakkelijk in een hokje had gestoken, bleek in geen enkel hokje te passen. Nog steeds niet.

Probeer hem te snappen, en hij ontglipt je. Probeer hem vast te pinnen, en hij glijdt eronder uit. Nog steeds is hij de boeiendste mens die ik ken. Telkens als ik hem zie, maakt mijn hart nog een klein sprongetje. Hij is mijn beste vriend en het anker in mijn leven.

Nu zijn we bijna 26 jaar later, en we zijn langer samen dan dat we alleen geweest zijn. We zijn samen opgegroeid, hebben samen kinderen op de wereld gezet en zijn dus meer dan sterk verstrengeld met mekaar. Maar daarbuiten hebben we ook elk onze eigen ruimte nodig. Ruimte en vrijheid om te ontwikkelen, om onze eigen weg te gaan, in contact. We leggen de lat hoog voor onszelf, en dus ook voor de mensen dicht bij ons. We zijn mekaars klankbord en spiegel en houden mekaar scherp. Wat niet altijd eenvoudig is. Soms bevalt het beeld in de spiegel je niet, en word je boos op de spiegel…

Niet dat het altijd gemakkelijk is. Om het met de woorden van mijn schoonmoeder te zeggen: “het is stil waar het nooit waait”. Het heeft al flink gewaaid bij ons. Soms tot orkaansterkte, dat we beide dachten dat we er niet meer uit zouden geraken. En toch, in het midden van de storm, bleven we af en toe aftoetsen bij onszelf en mekaar: “zou  het kloppen om uit mekaar te gaan?”. En telkens was het antwoord nee, ook al waren we zelf het geloof in een goede afloop verloren. En zie, we hebben het overleefd. Niets zegt dat er niet nog eens een orkaan zal opsteken. Wat het leven brengt, weten we niet. Maar we hebben onze basis, onze liefde en ons diep respect voor mekaars diepte en eigenheid, voor mekaars ongrijpbaarheid. In het loslaten van de ander het vertrouwen voelen. En een immense dankbaarheid voor zoveel liefde en trouw.

Advertisements

5 thoughts on “Verzoeknummer

  1. Lieve Sofie, wat is dat onnoemelijk mooi. <<<<meisje toch als jij geen boek uitgeeft zou dat zonde zijn voor de mensheid!

    Tante Mai

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s