De blik

“Ik wens je toe dat je jezelf zou kunnen zien met de blik waarmee anderen je zien.” Dit wensten 3 mensen, los van mekaar, me op enkele weken tijd toe. “Je zou verbaasd staan”, zei iemand. “Ik zou het niet geloven”, antwoordde ik.

Al heel mijn leven voel ik me onzichtbaar. Terwijl ik als kind en jongere rondliep met een enorme behoefte om gezien te worden, voelde ik me tegelijkertijd onzichtbaar, als lucht. Ik betrap er mij nog op. Zeker in een groep. Of als ik mij heel erg instel op een persoon bij wie ik ben en dan een glimp opvang van ons spiegelbeeld in een raam of spiegel. Meestal verrast het mij om mezelf te zien. Alsof ik verwachtte in het gespiegelde beeld enkel een leegte te zien naast die andere persoon.

Heel lang had ik geen idee van wie ik was, of wat mijn waarde was. Ik kwam erachter dat ik al heel mijn leven rondloop met de diepgewortelde overtuiging geen bestaansrecht te hebben. Hoe ik het gevoel had per ongeluk aan boord van het leven terecht te zijn gekomen, als een verstekeling. En dan zorg je maar beter dat je onzichtbaar bent. Tot iemand je ziet…

Voor een overrompelend moment van onverwacht gezien worden, neem ik u graag mee naar Parijs, begin jaren 90. Ik verbleef 7 maanden in die stad, om een stage te doen voor mijn opleiding. Parijs is de stad bij uitstek voor anoniemen en onzichtbaren. Op straat kijkt niemand je aan. Ook garçons, winkelbediendes of mensen aan het loket gunnen je geen blik waardig. De enigen die je soms aankijken, maar dan enkel tersluiks, zijn bedelaars. Een prachtige, onbarmhartige stad. Mensen zitten en lopen naast mekaar, elk in hun eigen gedachtentunnel, met de blik op oneindig. Contact niet gewenst. Het paste perfect bij hoe ik me toen voelde.

Ik woonde in het “Maison des Belges”: zoals de naam al suggereert, een huis voor Belgische (en Luxemburgse) studenten. Tussen de honderden bewoners liepen uiteraard een paar opvallende figuren rond. Zo had je een Mozart-achtige Luxemburger die een virtuoze muzikant zou zijn (zo vertelde men toch) en die net als de meeste andere van zijn landgenoten in een blitse sportkar rondreed. De Luxemburgers waren niet sterk vertegenwoordigd, maar opvallend waren ze wel. Dan had je nog enkele ambitieuze architectuurstudenten uit Antwerpen, een bosje vrolijk feestende rechtenstudenten uit Leuven, wat eigenzinnige Walen,… Er was ook een kleine psychologiestudente die altijd met een onverschillige blik rondliep en om de haverklap een andere vriend had. Altijd andere, maar wel altijd zwart. Voor haar geen blanke jongens, zo verkondigde ze telkens aan iedereen die het al dan niet wilde horen. Kortom, een boeiende mengelmoes van mensen. En ik woonde daartussen. Ik voelde mij vooral heel gewoon, en heel grijs.

Een andere figuur die opviel, was Pierre. Hij was een waanzinnig knappe kerel die zo uit een reclamecampagne geplukt leek. Hij viel niet alleen op door zijn looks en zijn air van onaantastbaarheid. Hij hulde zich zonder uitzondering in een mysterieus stilzwijgen én in een wolk van parfum. Hij liep altijd alleen, nooit zag je hem met iemand praten. Je zag of hoorde hem niet aankomen, maar rook het wel wanneer hij gepasseerd was. Soms leek het wel of hij niets anders deed dan in de trappenhal rondstappen, want daar hing de geur van zijn parfum opvallend vaak. Hij sprak met niemand, zei niemand goeiedag. Pierre had door zijn houding de status van een half-god bereikt. In de top tien van onbereikbare jongens stond hij op 3, net na Johnny Depp en Brad Pitt. Pierre dus.

Op een avond ging ik met enkele huisgenoten naar een fuif in één van de andere huizen op de campus. Zowat elk land had er een huis. Geen idee meer in welk huis het was, maar bij het binnenkomen van de zaal, had ik er eigenlijk al geen zin meer in. Er was veel volk, het was er warm en druk. Zoals zo vaak zette ik me aan de kant en keek rond. Ik zat helemaal in mijn rol van toeschouwer en voelde me volledig onzichtbaar. Dat stoorde me niet, want zo had ik de illusie dat niemand me zag.

“Bonsoir”. Plots, vanuit het niets, stond Pierre voor mijn neus. En dat bedoel ik letterlijk. Hij stond zo dicht voor mij, dat onze neuzen mekaar bijna raakten. Ik schrok en schuifelde wat achteruit. Veel plaats had ik niet, want ik had de hele tijd al bijna tegen de muur gestaan. Hij schoof mee op en keek me recht in de ogen. Hij vroeg hoe ik heette. Ik schuifelde nog wat verder, maar mijn hielen stonden al tegen de muur. Ik voelde mijn benen trillen. Wat deed Pierre hier? En waarom begon hij tegen mij te praten? Ik keek rond, maar zag niemand bekend. Plots hief hij zijn armen op en plantte zijn beide handpalmen tegen de muur, aan weerszijden van mijn gezicht. Alles in mijn lichaam brulde “alarm!”. Nu nog kan ik de beweging voelen die dat moment opkwam in mijn lichaam: bukken, onder zijn arm doorglippen en kei-hard weglopen. Maar ik bleef staan. Stokstijf, maar bevend van kop tot teen. Het zweet liep van me af. Ik drukte mezelf nog wat meer tegen de muur. Ik prevelde stilletjes of hij niet een beetje achteruit kon gaan. Hij beantwoordde mijn veel te stille en eerlijke vraag met een grijns en een wedervraag: “Waarom? Vind je het niet fijn?” Te stil, te braaf. Of misschien net niet. Want terwijl alles in mij schreeuwde om mij uit de voeten te maken, was er ook een stuk van mij dat dit geweldig vond. Dé knappe Pierre stond voor mijn neus, in mijn ogen te kijken en leek interesse te tonen in wie ik was…

De pijn van het niet voor mezelf opkomen, schrijnt nog als ik eraan denk. De schaamte ook, dat ik zo gemakkelijk over mijn grenzen liet gaan. De mogelijkheid dat ik ook een stem had die evenveel waard was als die van de andere, was iets dat in die levensfase niet in mij opkwam. Ik stelde niets voor, had geen bestaansrecht, dus mocht al blij zijn als iemand mij eens aandacht gaf. Ook als dat op zo’n – achteraf gezien – grensoverschrijdende manier was. Eraan terugdenken geeft me een verdrietig gevoel. Zo alleen, zo zoekend, …

Als kind was één van mijn favoriete onderwerpen om mee in slaap te vallen, fantaseren over mijn begrafenis. Ik had geen idee wat ik voorstelde en of er wel iemand van me hield. Ik beeldde me in dat ik (pijnloos) zou sterven, en keek dan toe hoe het er op mijn begrafenis aan toe zou gaan. Wie zou er zijn, wie zou wenen, wat zouden ze over mij zeggen… allemaal om maar te weten komen wat ik nu eigenlijk voorstelde. Het stelde me ergens gerust, want ik had nog nooit gehoord van een begrafenis waar niemand weende, dus nam ik aan dat er ook op mijn begrafenis toch een paar tranen zouden vloeien. Het is een uitermate genante herinnering, maar het tekent voor mij mijn verlangen naar “feedback” van de buitenwereld over hoe ik ben.

Een andere manier om iets over mezelf te weten te komen, was om mijn kamer binnen te stappen en rond te kijken met de ogen van iemand anders. Dat deed ik geregeld. Ik kwam dan als “vreemde” binnen en nam de kamer met een onderzoekende blik op. Hoe netjes of rommelig was het? Welke posters hingen er? Hoe gezellig zag het eruit? Alsof ik zo iets meer te weten zou komen over wie ik was…

De blik waarmee ik naar mezelf kijk, is meestal streng, en soms ronduit vernietigend. Niets, geen spaander blijft dan heel. Vroeger gebeurde dit onbewust, ondertussen besef ik meestal, maar vaak pas achteraf, dat ik dit doe, en dit maakt me triest. Hoe oud moet ik nog worden vooraleer ik met een mildere blik naar mezelf zal kijken? De milde blik waarmee ik naar de mensen in mijn omgeving kan kijken. Wanneer zal ik die op mezelf kunnen richten? Wanneer vind ik het mezelf waard om me met mededogen te bekijken? En tegelijk wil ik geen mededogen. Ik wil absolute perfectie…

Het maakt me niet alleen triest. Soms maakt het me ronduit woest. Dan loop ik briesend rond. Maar de stoom die uit mijn oren zou moeten komen, slaat naar binnen. Niemand die het ziet. Zoveel ingehouden boosheid. Ik weet en voel dat dit niet goed is, maar mis de “goedkeuring” van mezelf om dit mogen tonen.

Ik besef, nog maar eens, dat de enige weg naar aanvaarding van mezelf, stoppen met vechten is. Soms denk ik dat ik gestopt ben, maar dan blijkt het achteraf gewoon een adempauze te zijn, omdat ik het even beu was. Tot weer die koppige doorduwer in mezelf opstaat, die blijft geloven dat ik nog kan veranderen. Als ik dit, of als ik dat, dan word ik misschien de mens die ik hoop te zijn. Iemand zonder gebreken, die het waard is om te leven. Alsof perfectie me het visum tot het leven zou geven.

Ik hoop op een dag mezelf in mijn volle glorie te kunnen zien, ontdaan van alle valse ideeën en vervormende gedachten over mezelf. In mijn pure zijn.Ik heb er al glimpen van opgevangen, in uiterst veilige omgevingen zoals een vrouwenweekend of de Liefdesbang cursus. Ik zie het weerspiegeld in de blik van zij die mij graag zien. Nu nog geloven dat dit even echt is als mijn negatieve overtuigingen die me zo kunnen neerhalen.

Mijn wens voor u en mezelf: een milde blik, een warm hart en veel aanvaarding dat je er mag zijn. Puur en helemaal.

x

Advertisements

Ik moet nog / De generaal

Na 2 weken razen in het nieuwe jaar kwam ik tot stilstand.

Zondag 4 januari belde een vriendin. Om te vragen of ik mee wilde gaan wandelen. Maar ik had andere plannen. Dat ik me ging voorbereiden, zei ik. “Op de week die komt?”, vroeg de vriendin. “Nee, op het jaar dat komt.”

Door het uit te spreken, voelde ik de absurditeit ervan aan mijn tenen kriebelen, maar mijn hoofd was overtuigd. Ik had een plan, en daar zou ik me aan houden. Het was simpel: ik wilde helemaal klaar en voorbereid zijn om het nieuwe (werk)jaar aan te vatten. Het huis gepoetst, alle kleren gewassen, opgevouwen en in de kasten gelegd, brood in huis, beleg in de ijskast, de vaat gedaan, verse soep gemaakt, de wekker gezet, de tafel gedekt. Ik was er klaar voor. Mentaal had ik de veiligheidsgordel stevig vastgegespt, de helm opgezet en de klep laten zakken. Het jaar mocht komen.

En zo startte ik mijn race. De wedloop met mijn perfectionisme en controledrang. Er mocht niets misgaan.

Twee weken later plofte ik neer op de stoel bij A, de cranio-sacraal therapeute bij wie ik een afspraak had. Ik vertelde over het gevoel van het racen. Hoe opgedraaid ik me voelde. Hoe ik mezelf niet meer tot rust kon brengen.

“Hoor jij soms ‘ik moet nog…’ in jezelf?”, vroeg A met kalme stem en blik. Ik keek haar ongelovig aan, op mijn hoede voor wat een strikvraag leek te zijn. Ik herhaalde haar vraag: “Of ik – soms – ‘ik moet nog…’ hoor?” Ik speurde haar blik af, op zoek naar een glimp van ironie, maar ze keek me onverstoorbaar kalm aan. “Dat hoor ik voortdurend”, antwoordde ik.

Mijn dag speelt zich af tussen “ik moet opstaan” en “ik moet gaan slapen, anders ben ik morgen moe”. Daartussen is het een aaneenschakeling van ik-moet-nog’s. Mijn persoonlijke top 3 in termen van frequentie en stressniveau wordt aangevoerd door de absolute nummer 1 “ik moet nog koken”. Hel. Op nummer 2 “ik moet nog naar de winkel”. Stress. En op nummer 3 “ik moet nog ontspannen voor ik ga slapen”. Lichtjes dichtgeknepen keel. Verder ook nog heel populair “ik moet nog bellen of mailen naar…”. Onrust.

Wat mij het meest trof, was de vaststelling dat ik de zaken die ik in de loop van de voorbije maanden bewust en uit vrije wil ontdekt had en opgestart was, ook in de ik-moet-nog molen terechtgekomen waren.

Ik was met 3 activiteiten begonnen: start to run, pianoles en het schrijven aan mijn boek. Aan elk van deze activiteiten was ik met veel zin begonnen. Het waren tenslotte zaken die zich op een organische wijze aan mij “geopenbaard” hadden. Ik wilde gaan lopen, om me fysiek sterker en beter in mijn vel te voelen. Ik wilde leren pianospelen. Een verlangen van toen ik kind was. En ik wilde aan mijn boek beginnen. Een proces dat spontaan op gang gekomen was nadat ik het verhaal “de hunkering” neergeschreven had en het dus uit mijn systeem was.

Zoveel fijne en positieve Sofie-activiteiten. Helemaal zelf gekozen. Die positieve bezigheden moesten zich echter wel mengen & integreren in mijn systeem, en kwamen onder het gezag van de generaal terecht, die daar de plak zwaait. Die generaal heeft een ijzeren discipline. Geef me een recept, en ik volg het. Bied me een schema aan en ik wring me erin. Zo kwam ik op het punt dat ik mezelf hoorde zeggen: “ik moet nog gaan lopen” of “ik moet nog piano oefenen”.

De kiemen zaten erin natuurlijk. Start to run is gebaseerd op een weekschema. Sjklak. Dit werd zonder enige toegeving vastgeklikt in mijn mentale weekschema. Piano: elke dag 5 minuten oefenen. Sjklak, vastgelegd. Schrijven? Tja, dat zou enkel kunnen op zondagnamiddag, als er niets anders te doen was. Iets minder sjklak, want geen opgelegd schema. En zo werden die mooie initiatieven mee de ingrediënten voor een verstikkende wurggreep.

De genadeslag werd gegeven door mijn dochter die de eerste schoolweek van januari aankondigde dat ze zou overstappen van de kunstrichting die ze sinds september volgde, naar een ASO richting. Het was alsof in het weekschema in mijn hoofd, de paar zuurstofgaatjes die ik er voor mezelf ingeboord had, dichtklapten. Mijn ervaring van de voorbije 2 jaren had me namelijk de logische som geleerd: ASO + dyscalculie = elke avond een halfuur tot een uur wiskunde uitleggen. Het voelde alsof mijn dochter met deze beslissing de zuurstofslang, die al niet zo’n groot debiet had, helemaal plattrapte.

En zo zat ik die vrijdag bij A. Moegelopen, en het was nog maar 16 januari.

Ik ging liggen en sloot mijn ogen. Af en toe vroeg A iets. Ik hoorde haar & bromde af en toe instemmend, maar ondertussen was ik volledig weg. Naar rustiger oorden. Het was alsof A de stekker uitgetrokken had.

Na de behandeling ging ik terug op de stoel zitten. Loom, zwaar, met mijn zwaartepunt nu in mijn buik in plaats van mijn hoofd, volledig in rust. Of ik me anders voelde, vroeg A. Zelfs mijn stem was gezakt. Er was geen moeten meer.

EPILOOG

Ik besef dat de generaal een stuk van mij is waaraan ik ook veel te danken heb. Zijn doorzettingsvermogen heeft me gebracht waar ik nu sta.

Ik heb ontdekt dat de generaal zelden vakantie neemt. Enkel als er geen keuken is. De generaal activeert namelijk alle keuken-routines als er een gasvuur, ijskast en gootsteen te bespeuren zijn.

De generaal kan dan weer geweldig goed ontspannen als hij ergens uitgenodigd wordt. Dan is hij uiterst aimabel, want de generaal houdt van eten en gezelligheid. Maar de stress errond thuis, is er teveel aan. Drie kinderen, die elk op zijn of haar eigen manier heel weinig lusten, heel selectief eten, maar tegelijk enorm gefocust zijn op eten, dat kan de generaal niet aan. De generaal denkt namelijk logisch: lekker eten is lekker eten. Punt. Waarom roept het ene kind dan “vergif!” als hij het voor zijn neus krijgt? Of vlucht een ander kind naar de broodtrommel bij een ander gerecht? De generaal wordt daar moedeloos van. Maar dat is stof voor een ander verhaal.

De generaal is van het zwaarmoedige en melancholische type. Veel is er niet om mee te lachen. Het leven is ernst. Alles draait om toewijding en inzet. De generaal kan heel goed doorbijten. Hij kan heel veel saaiheid en ontberingen aan. Daar is hij in getraind.

Ik neem me voor de generaal een beetje beter te leren kennen. Zachtjes aan zal ik verder op zoek gaan naar zijn sterktes en de punten waarop hij blokkeert. Ik word goede maatjes met de generaal. En zo komt er hopelijk wat meer “ik mag…” in mijn leven. Of “ik heb wel zin in…”.

De generaal is niet degene die me levensvreugde verschaft. Dat is de nar, die ook in mij zit. Speels, vrolijk en dartel als een hinde. Die ga ik wat meer water en aandacht geven. Zodat de sterke generaal ook eens kan achteroverleunen, en misschien wel met een glimlach op het gezicht zich een beetje voelt smelten door de onschuld, de naïviteit en de speelse lichtheid van zijn compagnon.
x

De lawine

Ik dacht dat het me dit jaar niet zou overkomen. De kater die ik vorig jaar in deze periode gevoeld had & beschreven heb in “De onverbiddelijke maand”, dacht ik dit keer te slim af te zijn. Gewoon voldoende bewustzijn zou volstaan. Dacht ik. De genadeloosheid van het besef dat de trein waarvan je dacht dat die even zou stoppen, maar die gewoon terug optrekt naar kruissnelheid en het nieuwe jaar in dendert… die genadeloosheid zou me dit keer niet hebben liggen.

Alles ging goed. De vakantie was – zoals altijd deze periode – druk en goed gevuld. Veel feestjes, bezoeken en afspraken. Veel tradities in ere te houden, teveel eten en drinken en te laat gaan slapen. Om de verstikking voor te zijn, had ik zelfs een tweedaagse met mijn man gepland, midden in de vakantie. Heel even er tussen uit, genieten en niets moeten.

Met enige voldoening zag ik de vakantie naar een goed einde lopen. Het was me gelukt. Ik was de feestdagen goed doorgekomen. Ik had me kunnen ontspannen, de riem wat gelost en kunnen lachen en genieten. Ik blikte tevreden terug en nieuwsgierig vooruit en ging met een glimlach slapen….

Tot vanmorgen, bij het aanbreken van de laatste dag van de vakantie, tussen slapen & ontwaken, het me overviel. Mijn lichaam sliep nog, maar de sluizen in mijn hoofd werden opengezet. Volledig.

Alles waar ik ook maar de lichtste twijfel over had gevoeld de voorbije tijd, leek zich verzameld te hebben en donderde als een lawine op me af en sleurde me mee.

Er was geen stoppen aan. Ik draaide dezelfde cirkeltjes die ik al vaak gedraaid had, maar dan zonder afleiding of wrijving, waardoor het oneindig veel sneller leek te gaan. Ik zag een lange rekensom waarbij een aantal cijfers nog ingevuld moesten worden, want nog onbekend, en daar tegenover het cijfer van onze bankrekening. En de onmogelijkheid om te weten welke van de twee groter zou zijn.

Alle herstellingen en verbeteringen die we aan ons huis plannen te doen, passeerden de revue. De plechtige communie en de beginnende puberteit-zoektocht van onze 11-jarige zoon, de vraag of we dit jaar dan eindelijk eens een feest zouden geven voor onze zoveelste huwelijksverjaardag, maar hoe dan, en waar, en wie nodig je dan uit… Of en naar waar we op reis zouden kunnen gaan dit jaar. De paar zaken die ik nog niet van mijn kerstvakantie-to-do-lijst had kunnen schrappen, zoals de kerstkaarten voor de buren die nog geschreven moesten worden ….

Ondanks mijn horizontale positie, liggend in bed, voelde ik de last drukken op mijn schouders. Twee stalen staven leken zich links en rechts in mijn schouders te boren. Het deed fysiek pijn.

Vanbinnen voelde het alsof ik in mijn eentje op een dorre vlakte stond. In de gure wind, zonder enige bescherming. Geen levende ziel te bekennen: geen mens, plant of dier. Geen zon. Geen verbinding. De kille eenzaamheid van dit gevoel deed mijn adem stokken. Zelfs de bron van het leven, de eeuwige beweging, leek stil te vallen. Er was niets, enkel ik overgeleverd aan mijn ergste zelf. Die onderstroom die al voor zoveel verhalen op deze blog de inspiratiebron is geweest.

Weg waren mijn gezin, mijn familie, vrienden, collega’s, buren, dorpsgenoten… mijn hele, warme netwerk. Het enige wat er nog was, was mijn levensgrote angst om te falen, om het niet aan te kunnen, om te mislukken, blut te zijn, het nulpunt te bereiken, kinderen te hebben die compleet verloren lopen.

De verantwoordelijkheid die op mij woog, was verpletterend. Alles, maar dan ook alles, leek op mijn schouders te rusten. En dat zonder enige zuurstof of hulpbronnen.

Alsof ik mezelf verplicht om in mijn eentje de Himalaya te beklimmen, zonder eten, zonder aangepaste schoenen of kleding, kaart of begeleiding. Alsof ik van mezelf vind dat ik dat moet kunnen, en dat ik anders misluk.

Gelukkig brak de dag aan. Ik keek naar het streepje oranje zonlicht dat door het rolluik naar binnen scheen en trok mezelf uit mijn zuurstofarme beeld.

Opstaan zou me goed doen. Het licht zien, letterlijk, en weer ademen. Terug naar de orde van de dag. De zondagse routine opnemen, een houvast in het me wassen, aankleden en naar de bakker gaan. En het voornemen om dit op te schrijven en te delen.

Mezelf, met mijn diepste angsten die me op onbewaakte momenten kunnen meeslepen, nog maar eens en opnieuw bestaansrecht te geven. Zien dat ook dit bij mij hoort. En voortgaan. Niet blijven zitten, niet verstarren op die dorre vlakte, maar de angst doorvoelen en dan weer verderstappen.

Dag voor dag. Leven.

x

Ik kan het (niet)

Mijn zoon was uitgenodigd op een discofeestje van een klasgenootje. Hij en een andere jongen, en daarnaast enkel meisjes. Allemaal 9 jaar. De uitnodiging vermeldde dat hij verkleed kon komen – in discostijl.

Hij was al enkele dagen op voorhand enthousiast bezig met het feestje. Hoe hij en zijn vriend de enige jongens zouden zijn, en wat hij zou aandoen. Was het omdat hij het woord “verkleed” associeerde met de doos met verkleedkleren? Wie zal het zeggen. Feit was dat hij besloten had zijn “sultanpak” aan te trekken, want dat had vele mooie kleurtjes. Het leek me een goed idee, want echt coole discokleren lagen er toch niet in zijn kast.

Op de dag zelf was ik even weg & zou mijn man onze zoon naar het langverwachte feestje brengen. Toen ik thuis kwam, vertelde mijn man dat het een heel gedoe geweest was. In het sultanpak in kwestie bleek een gat te zitten, waardoor onze zoon weigerde om het aan te doen. Het plots wegvallen van de geplande optie, maakte hem boos en onzeker. Aangezien de tijd ondertussen voorttikte, probeerde mijn man met hem een oplossing te vinden. De details ken ik niet, maar enkel de uitkomst. Zoonlief had uit de doos met verkleedkleren een indianenpak gehaald. Daar stond geen gat in.

Toen ik dit hoorde, voelde ik mijn hart samenkrimpen. Ik voelde hoe mijn zoon weer – zoals zo vaak- zo hard zijn best had willen doen en waarschijnlijk bij de combinatie van “verkleden” en “discofeest” niet veel anders had kunnen bedenken dan het kleurige sultanpak. Maar naar een feestje gaan met een gat in je kleren is een “no go” in zijn beleving. Ik kon me zijn radeloosheid inbeelden. Bovendien waren man & zoon door deze onverwachte gebeurtenissen een kwartier te laat aangekomen op het feest. Nog een kleine ramp voor onze anders zo stipte zoon.

En ik was er niet geweest.

Ik zou hem gaan terughalen van het feest. Maar nu ik wist dat hij daar zou staan in zijn indianenpak tussen hoogstwaarschijnlijk allemaal feestelijk uitgedoste discomeisjes en zijn vriend, voelde ik me onzeker. Ik voelde een oordeel, in mezelf, over wat voor een moeder je wel niet bent als je je zoon zo naar een feestje laat vertrekken.

Het was gelukkig donker toen ik toekwam. De sfeer op het feestje zat er goed in. Tussen de glitterende meisjes en zijn vriend met wit hemd en gel in het haar zag ik mijn zoontje staan, in zijn indianenpak, dat – zo bleek – ondertussen 2 maten te klein was geworden. Het contrast was hierdoor nog schrijnender dan ik het me ingebeeld had. Hij kwam meteen naar me toe, maar leek het wel naar zijn zin te hebben. We namen afscheid van de jarige en haar ouders en repten ons naar huis.

Door de donkere straten van ons dorp fietsten we. Mijn zoon voorop, goed ingeduffeld met jas en fluovest, met daaronder zijn veel te korte broek en oude schoenen. Zo flink en voorbeeldig, bij elke afslag zijn arm uitstekend en mooi alle aangeleerde verkeersregels volgend. Zoveel ijver en plichtsbewustzijn weerspiegeld te zien in mijn jongste zoon, raakte een pijn aan in mezelf.

Bij mij voelt het alsof er rond die inzet en dat plichtsbewustzijn een laagje verdriet ligt. Omdat het geassocieerd is met zo mijn best willen doen, in de hoop graag gezien te worden. Ik kan alleen maar hopen dat dat laagje er bij mijn zoon niet opligt. Dat hij zich gewoon inzet voor het plezier ervan.

Maar goed, ik was me bewust dat de pijn die aangeraakt werd, de mijne was. Zoon vertelde enthousiast over het feestje. Hij had een fijne tijd gehad. Ik liet het zijn en bezinken.

Tot er enkele dagen later foto’s van het feestje verschenen op Facebook. Mijn keel kneep dicht. Het enige waar ik aan kon denken bij het openklikken van de foto’s, was hopen dat mijn zoon er niet op te zien zou zijn.

Die plotse confrontatie met wat voelde als pure schaamte, verraste me. Ik schaamde me niet voor mijn zoon, ik schaamde me voor mezelf. Want dat beeld van mijn zoon in een te klein indianenpak op een discofeestje, vertelde mij maar 1 ding: ik was niet goed bezig als mama. Tot mijn grote opluchting stond mijn zoon nergens herkenbaar op de foto’s. Na even was het hele voorval bezonken en weggezakt.

Tot een week later. Op de laatste dag van de Liefdesbang training gingen we “schaamte” onderzoeken. We werden uitgenodigd om aan een situatie te denken waarin we ons geschaamd hadden. Het bewuste discofeest-gebeuren schoot onmiddellijk naar boven. Het was dan ook nog vers & lag duidelijk bovenaan te wachten om bekeken te worden. Ik voelde dat er ook verdriet en schuldgevoel bij zat, maar schaamte was er zeker en overduidelijk bij.

We werden uitgenodigd om per 2 dieper in te gaan op de situatie en te proberen te voelen welk gevoel er aangeraakt werd door de schaamte.

Ik vertelde mijn oefenpartner over de situatie. Al pratend ging ik dieper en dieper in op het gebeuren en mijn analyse klonk heel logisch en helder…. maar ik voelde niets. We riepen de hulp van Hannah in (de begeleidster van de training). Ze vroeg me de ogen te sluiten, terug te gaan naar de situatie en in de ogen te kijken van de persoon tegenover wie ik me geschaamd had. Ik riep het beeld van de mama van het jarige meisje op. Haar ogen zouden functioneren als een wit doek, waarop ik zou kunnen zien wat ik projecteerde. Het zou mijn projectie zijn, want haar echte blik die avond was gewoon vriendelijk geweest. Toen ik -in mijn gevoel – in haar ogen keek, ging wat ik geprojecteerd zag, als een schok door me heen. Ik zag daar vlammend en vonkend een heel duidelijke boodschap. “Waag het niet! Waag het niet om toe te geven! Waag het – verdomme – niet!”. Want op mijn lippen brandden de woorden “ik kan het niet”. “Het is soms teveel. En nee, ik heb geen perfect gewassen en gestreken, gat- en scheurloze outfitjes liggen voor elk van mijn kinderen voor elke mogelijke situatie of thema. Ik kan het niet. Ik faal als mama.”

Dat was wat het beeld van mijn zoon in zijn te kleine indianenpak tussen de glitterende discomeisjes bij mij had wakker gemaakt. Wat ik geprojecteerd zag in de –denkbeeldige- blik van de gastvrouw, was een dreiging, grenzend aan paniek, dat ik het niet moest wagen om de code der moeders te doorbreken. Toegeven dat ik het niet altijd allemaal aankan, zou me een verraadster maken van de liga der moeders.

En toen ik dit voelde, voelde ik hoe het op een volgende laag ook ging over mijn gezin van herkomst. Hoe ik ook daar met een gevoel van loyaliteit zit dat me ervan weerhoudt om te zeggen dat het soms niet gaat. Want dat ik dan uit het nest gestoten zou worden.

Niet verwonderlijk dat de schaamte zo groot was. Het moest immers de immense angst bedekken om een nestbevuiler te zijn, disloyaal aan de clan, zowel mijn thuisnest, als de familie der moeders, waarin ik – naar mijn gevoel – opgenomen was sinds de geboorte van mijn eerste kind.

Het kunnen doorvoelen van de diepe schaamte voor mijn eigen faalbaarheid en de angst die het bedekte, gaf me een intens gevoel van bevrijding.  Dit opschrijven en delen is een volgende stap. Het is een hele stap, want ik voel ook schaamte voor de schaamte. Maar door het delen en het mogen deelgenoot zijn, weet ik dat ik hier niet alleen in ben.

x

Noot: Na het schrijven heb ik dit verhaal eerst gedeeld met de mama van het jarige meisje. Ook al ging het om mijn projectie, en niet om haar intentie, en was zij enkel het doek waarop ik mijn eigen angst projecteerde, toch wilde ik zeker zijn dat ze het ok vond dat ik dit neerschreef. Tot op het moment van de oefening heb ik het begrip “projectie” vaak gebruikt, zonder het helemaal te kunnen doorgronden. Sinds die oefening weet ik het. Het is een verdomd listige manier om ervoor te zorgen dat we niet voortdurend doorhebben met wat we rondlopen, maar veel van die dingen bij de ander leggen. Dat geeft ons in het beste geval wat ademruimte en zuurstof om te bekomen, maar in het slechtste geval leidt het tot verwijten en ruzies.Gelukkig is er ons bewustzijn en kunnen we maar proberen dat zo groot mogelijk te maken en zoveel mogelijk in onze eigen ogen te kijken.

De hunkering

Ik weet niet wat me bezielde. Mijn benen droegen me als vanzelf naar het kot van J. Een onstilbaar verlangen, een hunkering naar contact en warmte dreef me door de straten van de studentenstad. Een afwijzing was mogelijk, maar in mijn hoofd was mijn beslissing gemaakt.

J. was een vriend van iemand die ik kende. Een mooie en lieve jongen. Zacht, speels en grappig. En zonder lief, net als ik. Hij was de jongen waarnaar ik op weg was. Mijn bestemming.

Mijn hart schrijnde, de hunkering bijna ondraaglijk. Samen zijn, wilde ik, omhuld worden, zonder woorden, zonder voorwaarden.

Het verlangen dreef me voort, de donkere nacht door. Hoe dichter ik bij zijn kot kwam, hoe sterker de stemmen in mijn hoofd werden. Wat me bezielde? En hoe ik met de nee zou omgaan die me zeker te wachten zou staan?

De vastberaden tred van mijn benen leek geen tegenspraak te dulden. Ik werd voortgestuwd.

De gigantische binnentuin van het jongenscollege lag gapend voor me. Ik liep de eindeloos lijkende tuin door, naar de grote deur, de monumentale marmeren trap op. Ik was nog maar 1 keer op het kot van J. geweest, maar mijn interne kompas bracht me door het doolhof van gangen, trappen en deuren tot bij de juiste kamer.

Mijn hart bonsde in mijn keel, van de inspanning, het stappen, de trappen en de spanning. Nu kon ik nog terugdraaien. Maar ik klopte. En J. deed open, lachend als altijd. Hij keek verbaasd, verrast door wie er voor zijn deur stond. Alleen & met een blik in de ogen waarin ongetwijfeld veel te lezen moet zijn geweest.

Hij liet me binnen. Een verloren vriend zat op zijn bed, de tijd te verdrijven. De woordeloze besluiten en de blikken die gewisseld werden, zorgden voor een spanning in de lucht die zelfs de verloren vriend aanvoelde. Hij probeerde de tijd nog wat te rekken, maar werd tenslotte vriendelijk-kordaat de deur gewezen.

J., die ondertussen ook zenuwachtig geworden was, keek me vragend aan. Ik deed mijn mond open en sprak de woorden die gezegd wilden worden. Over mijn verlangen naar samenzijn, in warmte en veiligheid, met duidelijke grenzen. Zonder enige verbintenis. Een uitwisseling – zonder claim, zonder vervolg – gewoon voor die avond. Veel tijd om te beslissen had J. niet nodig. Het leek haast een simultaniteit. Een voorstel dat een keuze van ons twee werd.

Wat ik me nog herinner van de avond, is een warme gloed. Een samenzijn zonder geschiedenis en zonder toekomst. De absolute veiligheid die ik toen voelde, de afgesproken grenzen werden gerespecteerd, zonder woorden, zonder toch nog even proberen. De satijnen lakens en kussens in prachtige donkere kleuren, diep paars en oranje aardetinten die, zo vertelde J. met een mengeling van trots en gêne, zijn mama zelf gemaakt had. Zoveel huiselijkheid. De vertrouwdheid die ik voelde bij iemand die ik nauwelijks kende, maar met dezelfde roots en een gedeeld verlangen.

Het is meer dan 20 jaar geleden. Al die tijd heb ik de herinnering bewaard in mijn schatkamertje. Nu zie ik hoe mooi het was in zijn synchroniciteit.

Hoe ik toch – blijkbaar – voor mezelf kon zorgen en op dat moment volledig kon kiezen voor iets waar ik toen zo naar verlangde.

Ik heb J. nadien nog 1 keer gezien, op de trein richting onze geboortestreek. Gelukkig was er geen vriendschap op te offeren voor die avond.

Wat overblijft is een warme herinnering en veel dankbaarheid, naar J. en naar mezelf. En een blijheid dat ik nu kan zien hoe ik – tegen alles in wat ik altijd gedacht heb over mezelf – toch bij momenten écht heb kunnen kiezen voor wat ik nodig had, voorbij al mijn angsten.

x

Bestaansrecht

Eén jaar geleden opende ik mijn blog. Zoals met zoveel dingen in mijn leven, was het mijn hoofd dat voorbereid had en mijn hart dat het moment koos. Het werd 14 november 2013, de 100ste verjaardag van mijn grootmoeder en meter Flora. Zij was er niet meer, maar een haast ingefluisterde brief aan haar werd mijn openingsdans met mezelf.

Een boek wilde ik eigenlijk schrijven. Maar dat leek zo ver weg, zo onmogelijk en zo niet haalbaar, dat ik mijn verlangen om te schrijven over wat er in mij leefde, omzette in een andere vorm. Ik ben nog steeds dankbaar voor de beslissing die ik toen nam. Bloed net niet, maar zweet en tranen heeft het me gekost. Angstzweet, heel veel, en tranen van verdriet, pijn en ontroering. Want met het openzetten van mijn hart en pen, openden ook anderen zich. Ik kreeg reacties, kort en minder kort, maar altijd recht uit het hart, en dat raakte me.

Nog steeds zijn er zaken die ik zou willen (be)schrijven, maar waar ik nog niet aan begin. “Die houd ik voor in mijn boek”, denk ik dan. Dan weet toch niemand of het echt gebeurd is of niet.

Want sommige dingen zijn zo mooi en teer, zo kwetsbaar, zo beschamend ook soms, dat ik ze (nog) niet durf te delen. Wat als er toch iemand die mooie herinnering of dat kwetsbare verlangen bekladt, mij ermee “uitlacht”, of erger nog, tegen mij gebruikt? Ik weet dat de enige grens aan veiligheid, diegene is die ik mezelf stel. De veiligheid zit in mezelf, en het effect dat het heeft op andere, is niet mijn verantwoordelijkheid. Dat weet ik met mijn hoofd. Maar mijn hart is soms bang.

Twintig blogs heb ik geschreven het voorbije jaar. Vaak over zaken van vroeger die klaar waren om beschreven te worden. De dingen waar ik nu middenin zit, moeten nog bezinken, verteerd en opgenomen worden. Ik hoop ze ooit in geschreven vorm te kunnen delen. Dat is nu mijn manier om mezelf te uiten en te tonen. Mijn manier om mezelf bestaansrecht te geven.

Ik ben tot de ontdekking gekomen dat ik al heel mijn leven rondloop met – ten diepste – de overtuiging dat ik geen bestaansrecht heb. Dat ik als een verstekeling mee het leven binnengeglipt ben, maar dat het nooit de bedoeling was dat ik er zou zijn – in de vorm die ik ben.

En net als een verstekeling was al mijn aandacht gericht op het niet ontdekt worden. Mijn focus op het vinden van nieuwe verstopplekken. Deelnemen aan het leven was er niet bij. Dat was voor de anderen, die wél rechtmatig een ticketje voor de tocht hadden.

De voorbereiding naar de ommekeer was al lang bezig. Ik had zowat alle zelfhulpboeken over bewustwording en aanvaarding van jezelf gelezen. De Tao oefeningen en weekends gaven me inkijkjes in het leven in het licht, weg uit mijn schuilplaats. Het besluit een jaar geleden om deze blog te beginnen, was een aanzet om me bestaansrecht te verlenen. Want door te schrijven bevestig ik dat ik besta. Neem ik plaats in, zwart op wit, onontkenbaar. Ik schrijf dus ik ben.

Maar de echte switch kwam in het derde weekend van de Liefdesbang training, toen ik oog in oog kwam te staan met mezelf. Toen kon ik niet meer ontsnappen en ging ik door pijn, verdriet en een diepe boosheid heen. De bevrijding die ik nadien voelde, was ongeëvenaard. Een beklemming en een last waren van me afgevallen. Of eerder opgetild, weggenomen.

Nu voel ik me intens dankbaar. Naar alles en iedereen die me op mijn weg tot op dit punt “geholpen” heeft (in ogenschijnlijk mee- of tegenwerkende zin – beide zijn uiteindelijk hulp). Dankbaar ook hoe het leven al die tijd geduldig heeft staan wachten om geleefd te worden. Niet in een donker hoekje als verstekeling, maar voluit in het licht. Daar waar het leven plaatsvindt. En dat ik erbij hoor.

Mijn weg gaat verder, uiteraard, maar wel met een andere blik. Met het besef dat ik er mag zijn en net als alle anderen volmaakt ben in mijn onvolmaaktheid.

x

Niemandsland

“Soms heb ik het zo druk dat ik niemand zie. Zelfs mezelf niet.” Zo ongeveer ging de uitspraak van Woody Allen die ik op een ochtend in mijn mailbox vond. Heel toepasselijk en, zoals wel vaker, net op het gepaste moment onder mijn ogen. De avond tevoren had ik net bedacht dat het vanbinnen bij mezelf voelde als niemandsland. Niemand te zien, en niemand die de plek inneemt. Ook ikzelf niet.

Op momenten (lees: dagen, weken) dat het leven met me aan de haal lijkt te gaan, dat ik enkel onderga en overleef, verlaat ik mezelf. Ik zet mezelf ergens opzij en schakel over op automatische piloot. Of beter gezegd, automatische robot. Dan lijkt het of ik enkel een leeg omhulsel ben, dat gewoon voortdoet. Zonder piloot, zonder stuurman… zonder bezieling. Er is op dat moment niemand thuis. Geen Sofie.

Ik ben er niet voor mezelf, maar ook niet voor anderen. Of toch niet wezenlijk. Fysiek loop ik rond, ik praat, eet en doe wat ik moet doen. Netjes, aangepast, zoals het hoort. Langs de buitenkant ziet het er heel gewoon en normaal uit, maar vanbinnen is het leeg en hol. En galmt de stilte.

Dit duurt best niet te lang…

Enkele weken geleden volgde ik het eerste weekend van de training “Liefdesbang”. Na het gelijknamige boek over bindings- en verlatingsangst, wilde ik me aan de training wagen. Het werden 2 intense dagen, waarin heel wat stukjes van de puzzel duidelijk werden. Wat me bijzonder aangreep, was het plotse inzicht dat ik al heel mijn leven mijn behoeftes ontken. Als kind het mezelf zo aangeleerd, om niemand tot last te zijn, in het streven naar perfectie. Ik moest en ik zou het perfecte kind zijn, op alle vlakken. Voor minder ging ik niet. En dan kan je maar beter geen behoeftes hebben.

Dat van dat streven naar perfectie, daar was ik al langer achtergekomen. Maar dat dit ook betekende dat ik, tot op de dag van vandaag, mijn eigen behoeftes ontkend had, kwam als een schok. Nu nog, zeker als er weinig ruimte is, heb ik de neiging mezelf volledig weg te zetten. Ik wil niets, heb geen honger, geen dorst, en, nee dank u, ik blijf wel rechtstaan.

Met dit besef kwam ook immens veel verdriet. Hoe ik mezelf “verraden” heb. Of – om het milder uit te drukken – hoe ik niet loyaal geweest ben ten opzichte van mezelf. Hoe ik mezelf telkens weer weggaf.

Sinds dat weekend begin ik aan een schoorvoetende verkenning van mijn behoeftes. De eerste die ik tegenkwam, was een reusachtige behoefte aan rust. Een plek om mijn hoofd even neer te leggen. Een plek waar niets moet, waar ik niets moet doen. In de eerste plaats niet van mezelf. Verder ontdek ik een behoefte aan tijd & ruimte voor mezelf, om mijn eigen ritme te volgen. En een verlangen naar stilte, in mijn hoofd, maar ook daarbuiten.

Zo bevolk ik stap voor stap opnieuw mijn niemandsland. Vul het in met Sofie. Door gesprekken van hart tot hart, door mijn eigen kwetsbaarheid en “faalbaarheid” te voelen en te tonen, waar het kan, in veiligheid. Door te proberen te aanvaarden dat ik nooit de perfectie zal bereiken. Dat het leven hier en nu plaatsvindt, in een niet-perfecte wereld. Dat ik mag voelen wat ik nodig heb, dat ik dat mag uitspreken, en zelfs vragen.
En zo hoop ik, op een dag, mijn ritme te kunnen volgen, mijn verlangens te voelen en zo, volop en totaal onvolmaakt, midden in het leven te staan, omringd door de vele mensen die ik graag zie. En dat zijn er veel, te beginnen met mezelf. Al is dat net de moeilijkste…

X

Noot: Deze tekst schreef ik op 24 september. Een dag later had ik een mijlpaalgesprek met mijn baas over mijn functioneren. Hij gebruikte het woord “niemandsland”, wat ik een vreemd toeval vond, maar ook weer niet, aangezien het over mij ging. Tien dagen later volgde ik de tweede 2-daagse van de Liefdesbang-training en nog eens een week later ging ik op weekend met 18 andere vrouwen, waarin we afdaalden in de stilte in onszelf. Bij deze 3 gelegenheden zijn er onmetelijk veel tranen gevloeid en is er veel pijn (én vreugde) doorleefd & gedeeld. In die mate dat ik met een “voor” en “na” gevoel zit. Deze tekst is de laatste die ik schreef in de “voor”-periode. Voor de “na”-periode heb ik nog geen woorden. Ik hoop er binnenkort over te kunnen schrijven. Als het zover is, hoort u het als eerste.

Verbinding

Onlangs fietste ik naar huis, en in een flits dacht ik de oplossing gevonden te hebben voor de eeuwenoude vraag wat mensen gelukkig maakt. Het klikte zo in mijn systeem dat het voelde als een belangrijk stukje van de puzzel, maar tegelijkertijd leek het me te simpel om waar te zijn. De oplossing bestond namelijk maar uit één woord: Verbinding.

De hele weg bleef ik het woord draaien, in vraag stellen en uittesten, maar het bleef juist aanvoelen. Meer nog, het tegengestelde ervan voelde even juist aan als antwoord op de vraag wat mensen ongelukkig maakt: het gevoel afgescheiden te zijn.

Het leek me te simpel om te delen met de buitenwereld. Ik had ook geen zin in discussies met en over de grote filosofen en dus verschoof ik het naar de koele berging van mijn systeem.

In de weken tussen dat moment en nu, heb ik zo vaak gevoeld dat het klopt – voor mij althans – dat ik er nu toch maar over schrijf.

VERBINDING. Uiteraard komen eerst de klassiekers naar boven: verbinding met je partner, je kinderen, je familie, je vrienden. Verbinding met de natuur, nog zo’n sterke. Maar ook, en dat is me duidelijk geworden deze laatste weken, zoiets “banaals” als voetbal. Op kleine schaal kan ik me verbonden voelen met de ouders van de andere spelertjes wanneer mijn eigen zonen voetballen. Dit verklaart ongetwijfeld hoe het komt dat ik, hoe donker en zwart ik soms ook op zaterdagochtend naar het voetbalveld trek, er meestal frisser en lichter van terugkom. En nu dus op wereldschaal met het WK voetbal. Te weten dat ik tezamen met miljoenen andere mensen in de wereld naar pakweg Brazilië-Chili kijk, geeft me een gevoel van verbondenheid. De Belgen die meeleven met “onze” Rode Duivels, ook ik hoor daarbij. En dat geeft me een geborgen gevoel. Het verbaasde me zelfs – en ook weer niet achteraf gezien – dat ik op de voetballoze avonden een glimp van leegte voel. Even alleen…

Dit verklaart nu ook voor mij – eindelijk- iets dat me al heel mijn leven overvalt en wat ik nooit heb kunnen verklaren. Ik zit in de auto en in de verte hoor ik sirenes van een ambulance, brandweer- of politiewagen. Iedereen kijkt rond, vertraagt & maakt plaats. Op dat moment zit ik daar achter mijn stuur met een gigantische krop in mijn keel en tranen in mijn ogen. Hetzelfde scenario speelt zich af als het gesneeuwd of geijzeld heeft en iedereen aan 20 km/u over de weg schuift: een krop in de keel en tranen in de ogen. Ik heb het nooit gesnapt en het overvalt me telkens weer. De enige verklaring die ik nu zie, is dat ik me op dat moment verbonden voel met de mensen om me heen, die in dezelfde situatie zitten.

De andere kant van de medaille echter kan me even zwaar vallen, als dat verbondenheid me warm maakt. Ik kan me intens alleen voelen, afgescheiden van alles en iedereen. Een gevoel waarvan ik denk dat mensen het hebben die besluiten uit het leven te stappen. Dat gevoel dat er geen enkele connectie is, geen draadje meer dat je verbindt met een andere levende ziel.

Ik kan me daar bevinden en weet ondertussen dat dat best niet te lang duurt. Dan word ik destructief. In de eerste plaats voor mezelf, maar ook voor de mensen dicht bij mij. Die mensen waar ik dicht bij sta, maar op dat moment geen verbinding mee voel. Het dramatische van de zaak is dat het gevoel van afgescheidenheid de neiging heeft zich te verdiepen en te verstevigen. De enige redding op dat moment is verbinding. Net datgene waarvan je op dat moment gelooft dat het niet voor jou is weggelegd. Dan heb je iemand nodig die je ziet, even stilstaat en zich openstelt. Maar ook dat is niet voldoende. Verbinding vraagt ook een actieve stap: dat je jezelf openstelt en je opnieuw laat opnemen in de stroom van het leven. Het leven zelf heeft een kracht, en de richting is voorwaarts.

Er zijn een paar valkuilen aan het concept verbinding. Veel mensen samen betekent niet automatisch verbinding. Dat weet iedereen die zich al eens hopeloos alleen heeft gevoeld op feestjes, bijeenkomsten of een festivalwei. De nieuwe media houden je verbondenheid voor. Maar “connected” zijn op Facebook, betekent niet hetzelfde als je verbonden voelen.

Voor mezelf is Facebook gevaarlijk als ik me alleen voel. De grote groep “vrienden” lonkt, en ik open het programma, op zoek naar een gevoel van verbinding. De kater is er altijd achteraf. De keren dat ik Facebook niet afgesloten heb met een gefrustreerd of negatief gevoel, kan ik op de vingers van 1 hand tellen. Tegelijk is het natuurlijk een geweldige opportuniteit tot zelfanalyse. Welke foto’s en statusupdates geven jou een vaag gevoel van ontevredenheid, of doen je maag een beetje samentrekken? Schattige baby’s, gelukkige koppels, blije gezinnen, mooie huizen, verre reizen, goede rapporten, grote vriendengroepen, feestjes, uitstapjes, ….?

Ik weet alvast wat mijn zwakke plek is: verbinding. Ik wil ergens bij horen, mee feesten, lachen, genieten en ergens in opgaan. Niet altijd langs de kant staan observeren en mensen hun leven zien leiden. Meedoen, in plaats van de verslaggever te zijn.

En omdat ik er zo gevoelig voor ben, koester ik de momenten van verbinding intens. Want die zijn er wel, gelukkig maar! Die momenten geven me energie en laden me op. Maar ik wil meer. Meer en vaker leven in verbinding. Van samen voetbal kijken, over een goed gesprek met een buur, tot het zalige gevoel je in een al dan niet woordeloze eenheid te bevinden met een gelijkgestemde ziel, voorbij tijd en ruimte. Ik wens het mezelf en u toe, veel verbinding, en af en toe tot jezelf komen, om nadien weer mee te gaan in de stroom van het leven.

x

Angst voor eigen grootheid

Het moet ergens in het tweede jaar psychologie geweest zijn dat ik er voor het eerst van hoorde: angst voor succes. Vanuit mijn aard meer voorbestemd voor de kant van de faalangst, bleek er ook een verwante, maar toch subtiel verschillende variant te bestaan. De angst om het net heel goed te doen. Ik voel nog het schokje van herkenning dat door mij heenging toen ik het hoorde.

Angst voor succes leek me mysterieuzer en boeiender dan het dichtgenepen faalangst. Beide leiden wel tot hetzelfde resultaat, namelijk verlamming. En daar is op zich weinig glamoureus aan.

Ik nam het met me mee, de term & de herkenning. Toen mijn man jaren later sprak over angst voor eigen grootheid, deed dat wel een belletje rinkelen, maar mijn gedachten en focus waren toen bij kleine kinderen en overleven. Angst voor succes leek verder weg dan ooit.

Maar met het opgroeien van je kinderen, groeit ook de ruimte die je voor jezelf kan nemen. Het gaat niet om gigantische oppervlakten, niet uit te drukken in m², maar op een subtiele, haast onmerkbare wijze bemerk je plots dat je 10 minuten tijd hebt. En die 10 minuten worden een kwartier. En dat kwartier een halfuur. Ik zit nu in de fase dat ik mezelf plots in een uur tijd en ruimte kan bevinden. Een uur dat ik zelf kan invullen. Zelf. En zo kom je jezelf – in dat vacuüm in de tijd – tegen. Je bent nog dezelfde & ook weer niet.

Opgroeien, moederschap en werken heeft zoveel geëist, je hebt jezelf aan de kant gezet en je eigen grenzen ontelbare malen overschreden. Vanzelf & vaak op pure wilskracht, meer dan goed voor je is. En daar zit je dan plots in dat uurtje – voor jezelf. Een vlaag van paniek is me al meermaals overvallen op zo’n moment. Je beseft veel te hard dat het uur super kostbaar is, want schaars.

En zo ben ik, aan de hand van hier en daar een onverwacht gat in de tijd, de tocht terug naar binnen begonnen. Een tocht die me onder andere voerde naar een grote, gesloten poort waarop stond “SCHRIJVEN” en eronder, in kleine letters “vanuit je eigen kern – dus kwetsbaar”. Een ander deurtje waar ik langskwam, vermeldde “Ambitie”. Dat deurtje bleek stevig dicht te zijn, gebarricadeerd langs 2 zijden, zo leek het wel.

Er begonnen me dingen op te vallen. Zoals de uitspraak “Als ik 1 mens kan bereiken met wat ik doe, dan is het al geslaagd”. Ik had het al zo vaak gehoord, dat ik het ergens als een onbewuste mantra had opgeslagen. Het moet de perfecte uitspraak geweest zijn als antidotum en kalmeringsmiddel voor mijn angst voor succes. Je hoeft niet succesvol te zijn, als je maar 1 mens bereikt, is het al goed.

Ik werd me pas bewust van deze fopspeen van een uitspraak toen ik met mijn blog begon. De angst om me bloot te geven en de angst voor afwijzing waren gigantisch. Maar op een onbewaakt moment in november nam mijn verlangen om naar buiten te komen met wat ik te delen heb, de overhand.

Door de poort “Schrijven” uit het slot te duwen en op een kier te zetten, bleek mijn verdovingsmiddel niet meer te werken. Het deurtje “Ambitie” bleek zich ook van het slot gehaald te hebben. Ik besefte dat ik totaal geen interesse heb om maar 1 mens te bereiken. Ik wil veel mensen bereiken. Hoe meer, hoe liever. Punt.

Onbescheiden? Misschien. Maar mij verstoppen wil ik niet meer.

Angst voor succes. Het gaat hier dus niet om een vol Sportpaleis. Het speelt zich af op een ander domein, op een andere speelplaats.

Succes betekent mij helemaal durven tonen, mijn talenten gebruiken, onverschrokken en zonder reserves, volledig & voluit. Als eerste mijn masker afzetten. En dan recht blijven staan en genieten. Uit het duister, het licht in. Stralen.

x

Verlangen naar liefde

Soms lijkt mijn lijf te klein te zijn voor de enorme zee van liefde die ik kan voelen. Het voelt als een warm bad waarin ik kan zwemmen, een gloed die mij vult. Alsof ik rechtstreeks verbonden ben met een oneindige bron.

De grote vraag waar ik mee worstel, is hoe ik deze ervaring kan integreren in mijn dagelijkse leven. Want dat gevoel van eindeloze liefde, voel ik vooral… als ik alleen ben.

Eens thuis of in de nabijheid van mijn geliefden, is het alsof het deurtje dichtgaat en de automatische praktische piloot wordt opgezet. Dan hoor ik mezelf vragen stellen of opmerkingen geven over de afwasmachine die uitgeladen moet worden, het brood dat op is of de kinderen die naar bed moeten.

Dan lijkt het alsof het 2 aparte werelden zijn: mijn innerlijke belevingswereld, die kan overstromen van liefde voor de wereld en de mensen in mijn leven en daarnaast, ogenschijnlijk los ervan, de wereld van het dagelijkse leven met zijn kloktijd, sociale normen, afspraken en (al dan niet ingebeelde) verwachtingen.

Zo kon ik de eerste afleveringen van “Eigen kweek” bijna niet uitkijken. Het verlangen naar liefde en het onvermogen om dit te uiten van personage Frank, waren zo schrijnend en bijna tastbaar, dat ik het in mijn buik voelde. Ik moest mezelf verplichten te blijven kijken. Het raakte bij mij duidelijk een gevoelige en herkenbare snaar.

Ooit, in de nasleep van het Dublinavontuur, schreef ik: “het voelt alsof ik een schatkamer in mezelf heb. Daarin bewaar ik alle momenten en herinneringen van warmte, liefde en graag gezien worden. Als ik het moeilijk heb, of het leven wordt te grijs, dan trek ik mij terug in die kamer en laaf ik mij aan alle herinneringen. Die vervullen mij dan met warmte.”

Uit alle boeken in het genre, weet ik dat het de bedoeling is dat je nu leeft. Dat het “niet goed” is als je teveel in het verleden of de toekomst leeft. En ergens voel ik dat dit uit onvermogen voortkomt. Het onvermogen om mijn liefde hier en nu te uiten naar de mensen die ik het liefst zie. Niet in een ideaal moment, maar tussen de vuile vaat, de puberperikelen en de andere zorgen door. En ook, hoe verder mensen van mij af staan, hoe gemakkelijker ik het kan uiten. Hoe dichterbij, hoe moeilijker.

Een ex noemde me ooit de “Ijskoningin”. En eigenlijk – zeker in die periode- kon ik hem geen ongelijk geven. Hoe groter het gevecht in mezelf, hoe verder ik me terugtrek en hoe meer ik me afsluit. Achter mijn muur staat dan nog een muur. En daarachter nog één. En pas daarachter staat mijn versterkte burcht.

En ook al weet ik met mijn verstand waarom het zo is – it’s all about fear – toch lijkt het in sneller dan een vingerknip te gaan dat ik me verschans achter mijn muren. Pure zelfbescherming voor een vijand die er al lang niet meer is. Eén die je ondertussen volledig verinnerlijkt hebt, en die je dus altijd met je meedraagt.

En zo probeer ik beetje bij beetje de oceaan aan liefde die ik voel, te laten binnendruppelen in mijn “echte” leven. Want qua waarheidsgehalte hecht ik meer waarde en geloof aan mijn dagelijkse, aardse bestaan. Terwijl die andere wereld zo overweldigend is dat je moeilijk kan denken dat het allemaal inbeelding is.

x